Ga naar de inhoud

Treurende klokjes - ONF Groepen Overzicht 2026 versie 5.0

Menu overslaan
Menu overslaan
ONF Groepen NL
Groep Sagen
De treurende klokjes
(Het Pluismeer bij de Vuursche)
De Spanjaarden zwierven door het land. Niet alleen roofden en brandden zij. Hun van passie gloeiende gitten ogen lokten daarnevens menige maagd zich te geven aan hun trouw getuigende liefde. En velen harer betreurden te laat, dat zij zich gestort hadden in het vreemde avontuur, dat haar eer en levensgeluk verslond.

Ook Marre, de schone dochter van een arme, eerlijke houthakker, had de karbonkelen gloed der Spaanse ogen niet langer kunnen weerstaan. Haar hopman was zo knap en zo fier. Zijn woorden over eeuwige trouw klonken zo zoet. Heerlijk was het, avond aan avond met hem te gaan langs de verlaten, schemerige bospaden, of samen neer te zitten op de geurige heide, waarover stilletjes de nacht aansloop. Dan luisterde zij naar zijn trotse verhalen, die nooit een einde schenen te hebben en leunde tegen zijn warme soldatenhart, dat zij lief kreeg.
Wanneer ze somwijlen dacht aan haar vroegere leven zonder afwisseling, betreurde zij 't, dat hij niet eerder was gekomen. Noch de smeekbeden van haar vrome moeder, noch de strenge waarschuwingen van haar vader vermochten haar te weerhouden van de weg, die zij ging. Zij wilde niet zien hoe ze zich bij elke kus méér aan hem gevangen gaf. Met volle teugen dronk zij het geluk.
 
Toen Marre zwanger werd, bleek zijn hart zonder erbarming. Koel wees hij haar terug. En zocht troost bij een ander. Verschrikt ontwaakte zij! Was dat de trouw-zwerende man?
Had zij aan diens borst vele malen gesluimerd? Schonk zij hem haar liefde, haar eer?
Bitter en lang schreide ze. Maar toen haar ontstoken ogen waren uitgeweend, brandde in haar hart de dorst naar vergeldende wraak!
 
Op een avond ging Marre gejaagd langs de boswegen. Zij wist ergens op een eenzame plek - niet ver van Hilversum, een zonderling te wonen, geschuwd door de mensen. Zelfs de brooddronken soldaten vreesden hem. Men fluisterde onder elkaar: hij heeft de macht in de toekomst te lezen; hij kent alle zwarte kunsten; hij leeft van wat zijn boze meester, de duivel, hem brengt; en nog veel meer.
 

 
Hem wilde zij in haar zondige verwarring om raad vragen. Doch niemand mocht 't weten! Ze zag niet, hoe het woud donkerde. Ze voelde niet, hoe haar lichaam beefde. Ze dacht niet aan 't levens-klopje onder haar hart.

Even huiverde Marre, toen zij de vuile hut van de vreemde man binnentrad en zijn felle ogen haar aankeken. Naar adem hijgend, mompelde ze een korte groet. Zwijgend wees hij 't meisje een wankele kruk als zitplaats. Schuw waarde haar blik rond. Op het wrakke tafeltje lag een spel kaarten, te midden van allerlei etensresten. Een walmende olietuit verlichtte spaarzaam de stinkende ruimte en wierp grillige schaduwen langs de wanden, waartegen stoffige spinnenwebben kwabden. In een hoek, vlak bij het gedoofde houtvuur, zat knor- duttend een grote, magere kater.
Na enkele ogenblikken gromde de man: 'Waarom kom je hier?' Hortend en stotend begon ze te vertellen. Allengs gejaagder - met korte, rappe zinnen. Hij luisterde scherp. De ogen half geloken, staarde hij Marre onafgebroken aan. Zijn kleffe vingers met de uitgegroeide nagels rustten gekromd op het smerige tafelblad. Soms trok hij even de donkere, stekelige wenkbrauwen samen en knikte, of plukte aan zijn peper-kleurige, verwarde baard.

Toen zij zweeg, bleef het lange tijd stil. Eindelijk stond de man op en schonk twee nappen vol witte wijn. Onderwijl murmelden zijn dikke lippen onverstaanbare klanken. Toen zei hij langzaam: 'Wij zullen samen drinken ... samen.'
Marre walgde, maar durfde zich niet te verzetten. Een licht, duizelig gevoel steeg in haar omhoog. Het was haar, alsof de wanden van de hut zich bewogen en zij overal fluisterende stemmen hoorde. Weer schonk hij de nappen vol. Weer mompelde hij woorden, die zij niet verstond. Daarna bleef hij grijnzend tegenover haar zitten. De minuten verstreken. Het was, alsof de man ergens op wachtte.

Zo werd het middernacht.

Toen gromde hij: 'Nu is 't tijd, luister goed!' Zijn gore, rimpelige hand reikte haar een kaart met hartenaas. Vervolgens een lange, scherpe naald. 'Mijn dochter, de wrake is zoet ... Houd met uw linkerhand de kaart boven uw nap en steek dan met de naald dwars door het hart.'
Als in een droom gehoorzaamde zij. Tien droppels bloed vielen in de wijn, die rood kleurde. Ze vielen uit het doorpriemde hart op de kaart! Ontzetting greep het meisje aan. Haar ogen verstarden. Een schone schreeuw ontglipte haar mond. Wild sprong zij op en vluchtte naar buiten, de zwarte nacht in. Hard en akelig lachte de man haar na.
Tegen de morgen bereikte Marre haar kleine dorp. Toen zij de brink wilde oversteken, zag ze hoe een groepje Spaanse hellebaarden juist de herberg verliet, gevolgd door enkele mannen, die een baar droegen. Hun stemmen klonken gedempt. Het meisje bleef staan en luisterde.

'Wij zaten samen zonder twist of woorden,' zei één der mannen. 'En toen gebeurde het onbegrijpelijke. Nauwelijks had de klokke twaalf slagen geslagen, of hij zakte ineen ... dóód!' 'Met doorstoken hart', bromde een soldaat. Op dat ogenblik begonnen de klokken van het kerkje te luiden. Waren de bronzen klanken ditmaal omfloerst? Schuchter trad Marre een weinig nader. In het vale licht van de morgen herkende zij de dode. Het was haar vroegere minnaar, de trouweloze hopman. Hem zwoer zij eeuwige wraak!
Als versteend stond ze naast de baar. Door haar heen stroefde bang de herinnering aan het vreselijke spel bij de duivelse man in de boshut. Eén der soldaten gromde een bevel.
De mannen droegen hun last verder. Voor het meisje hadden zij geen aandacht. Er was wel wat anders om over te denken! Langzaam ontwaakte Marre uit haar verstarring. Bevend streek haar hand langs 't klamme voorhoofd.

Opeens vluchtte zij weg. 'Wee mij ... wee mij ...,' murmelden haar lippen. Zonder oponthoud joeg de ongelukkige voort. Dwars door het bos, dwars over de heide. Totdat zij kwam bij een klein, moerassig meer. Nog beierden de klokken over velden en beemd. Van zo ver waren de klanken dof. Klaagden zij de ellendige aan?
Hóór ... Wraak! Wraak! Marre stopte de vingers in haar oren. Hoog gierde een gil. De troebele poel sloot zich en was als voorheen! De eeuwen geruchten het droeve verhaal: Marre heeft de klanken der treurende klokken meegenomen. Mee naar de diepte van 't moeras. Eeuwig klagen zij haar aan.

Wie zich in de vroege morgenstond over het meer buigt, waar 't pluizige wollegras als een witte mantel de waterspiegel bedekt, kan soms nog het doffe klank van de klokjes horen.
Rechten:
De liedjes behorend bij de serie "Historische verhalen, sagen en legenden" uit het Gooi’ zijn auteursrechtelijk beschermd. Het muziekbestand wordt in deze bijdrage uitsluitend beschikbaar gesteld ter beluistering. Downloaden, opslaan, delen, herpubliceren, bewerken of elders plaatsen is niet toegestaan zonder voorafgaande toestemming van de rechthebbende(n).
Het muziek label "Kwapoets" is onderdeel van de stichting ErfGoedGezien Nederland.


Bron:
“Naerdincklant” Prof. A.C.J. de Vranckrijker (1947)
“Gooise Legenden” Henk de Weerd (1960)
“Verhalen opgetekend uit de mond van Gerard Zieltjens” (1957 – 1967)
“Bewerking en hertaling”: Ad Bakker (2018)
“Illustraties”: Rob Numan (2025)
“Liedjes, tekst en muziek”: Ad Bakker (2023)
Luister naar het verhaal lied
Treurende klokjes aan het Pluismeer
00:00

(c) 2020 - 2026 Stichting ErfGoedGezien Nederland
Werkgroep ONF (In Oude & Nieuwe Foto's)  
info@onfgroepen.nl
Terug naar de inhoud