Groep Sagen
Hille voor de som
(Ontstaan van Hilversum)
Midden in het ruige 'Naerdincklant' lag een oase. Dat was 't dorpje Laer. Er woonden eenvoudige, ijverige mensen. Sommigen waren landbouwer, anderen schaapherder of wolspinner.
Eén hunner heette Harmen, een welvarende boer, die met zijn vrouw en zijn dochter Hille tevreden leefde. Boven velen had hij echter te kampen met twee ondeugden: spelen en drinken. Hij wist 't zeer wel, dat hij moest oppassen, wilde hij zijn goede naam en z'n hoeve behouden.
Maar als de speelzucht en de drinkduivel hem weer te pakken kregen, vergat hij alles. Dan bleef het werk op de akker liggen – dan riep zijn vrouw hem tevergeefs - dan speelde hij soms dagen en nachten door. En wanneer hij verloor, was er helemaal geen einde aan, tot groot verdriet der zijnen.
Helaas, het ging van kwaad tot erger! Allengs verwilderden de akkers en verachterde het vee. De fleur van zijn hofstede verdween. En eindelijk - na jaren - stierf zijn vrouw van smart. Even kwam Harmen tot bezinning. Was het al zover met hem gekomen? Nu zou het uit wezen - finaal uit. Ter wille van zijn dochter moest hij z'n leven beteren. Hij wilde er zich weer bovenop werken. Nooit zou hij meer denken aan spel en drank! Berouw knaagde aan zijn ziel.
Het grote verlies dompelde hem in striemend zelfverwijt. Schaamte over zijn gedrag deed hem de mensen ontwijken. Hoe vaak had z'n goede vrouw gewaarschuwd!
Steeds opnieuw had zij hem gesmeekt op te houden met het rovende spel en de giftige beker. Maar hij had haar afgesnauwd en weggeduwd. Hij had gezegd wel te weten wat hij deed. En van haar liefde, haar tranen, haar gebeden had hij zich niets aangetrokken! Gebogen ging hij zijn weg.
Gebogen deed hij zijn werk. Toen brak zijn weerstand.
In een zwak ogenblik greep hij de drank, die hem vergetelheid bracht, die hem nieuwe moed inblies, die de stem van zijn geweten smoorde, die hem weer deed lachen en wedden en zingen ...
En erger, veel erger dan vroeger speelde en dronk hij. Hille ten spijt.
En erger, veel erger dan vroeger speelde en dronk hij. Hille ten spijt.
Het was slachtmaand geworden. Buiten raasde de wind zonder ophouden. Fel striemde de regen neer. Hondenweer!
Hille Harmen zat in haar kemenade en huiverde. Zij had het op de deel niet langer kunnen uithouden. Daar waren haar vader en zijn vrienden bezig. Wie kon hun woeste taal verdragen? Hun tierende uitvallen bij verlies? Hun dolzinnige lachen bij winst? .. .
Het waren de mannen wel! Aangelopen kerels, die nergens meer voor deugden. Eersteklas drinkebroers, die aasden op het geld van anderen. Stil zat Hille voor 't beeld van de barmhartige Vrouwe. Háár wilde zij aanroepen in heur nood en leed. Maar de woorden lieten zich niet vinden.
Zij dacht aan haar dronken vader, die zijn laatste bezit aan het verspelen was en die niet van ophouden wist. Onwillekeurig luisterde zij naar de schorre, brallende stemmen der opgewonden mannen, die flauw tot haar vertrek doordrongen. Eensklaps schrok zij hevig. Harde scheldwoorden klonken door elkaar heen, maar boven het tumult uit hoorde ze de dolle stem van haar vader:
"Ik geef 't niet op, zeg ik jullie... vervloekt! ... Ik geef het nóóit op ... Hier dan ... ik geef Hille voor de som ... Haha!"
Daarna werd het weer stiller op de deel, waar het spel voortging.
'Heilige Moeder,' kreunde Hille. 'Vader heeft mij ingezet als zijn laatste kans ... Mij ingezet, alsof ik een stuk vee was, dat hij verkopen kan. Wat moet ik doen?' Zij kromp ineen bij de gedachte straks misschien de slavin te zijn van één dier schavuiten. Schaamte en smart streden in haar om de voorrang. Doodsbleek was haar gelaat.
Enkele minuten gingen geruisloos voorbij. Toen richtte zij zich op en kreette zacht: 'Dat nooit ... neen, dat nooit! .. Liever weg van hier ... weg van de plek, waar moeder is gestorven en waar vader schande bracht over ons geslacht... over mij.'
Schielijk zocht ze haar weinige kleinodiën bij elkaar. Daarop sloop ze stilletjes heen - de nacht in, waar storm en onweer raasden. Weg van het huis der ellende - weg van haar geboortedorp Laer. Weg, de wilde heide op! Waarheen zou zij gaan? Ze dacht er niet aan... ze wist het niet. Ze wilde slechts weg om haar eer te redden. Ze struikelde... viel... snelde weer voort. Wat glanst daar in de verte? Een wondere lichtcirkel nadert. Vóór Hille 't weet, staan twee mannen bij haar en is zij opgenomen in de schittering die hen omgeeft. Even flitst het door haar heen, dat dit geen aardse wezens kunnen zijn. Beide mannen gaan gekleed in wijde, kostbare mantels, die een vreemd licht uitstralen. En de grootste der twee heeft maar één oog, dat schijnt te gloeien. Bevend neigt de vluchtelinge 't hoofd.
'Zie ons gerust aan, dochter,' klinkt een zware, vriendelijke stem. 'Ge moet niet vrezen. Wij zullen graag horen, wie ge zijt en wat ge hier in 't holst van de nacht zoekt.' 'Och heer,' antwoordt zij aarzelend, 'ik ben Hille Harmen ... ik kom uit Laer ... Maar mijn vader... mijn vader...' Haar lippen weigeren dat vreselijke te zeggen. Schreiend slaat ze haar handen voor 't gezicht.
'Kom-kom, mijn kind... klaag ons vrijuit uw nood,' spreekt de ene vreemdeling op deelnemende toon. 'Wij kennen het leed der aarde - wij, Wodan en Braga, twee vergeten goden van weleer. Maar wij hebben dit land lief en dalen soms neer uit Asgard **, om hulp en steun te verlenen aan hen, die zulks behoeven. Welaan, mijn dochter, vat moed' Verwonderd luistert Hille.
'Grote heer,' zegt zij, haar tranen drogend, 'mijn vader heeft mij als inzet gesteld bij z'n spel... Hij was dronken en in gezelschap van boze vrienden... Hij verspeelde reeds het vee en de hofstede... Mijn moeder stierf van verdriet... Ik was zijn laatste kans... ik ben gevlucht en weet niet waarheen... Gevlucht voor de vernedering.'
Beide mannen schudden hun hoofd. En de grootste spreekt donker: 'Helaas! ... zo zijn m'n Saksers, m'n Friezen en Fennen ... Spel en drank, ja, maar toch zijn ze niet slecht, want ruim en groot is hun hart.'
Daarop zich richtend tot de huiverende maagd, zegt hij: 'Mijn goede kind, luister!... Loop recht door, steeds recht door, totdat ge komt aan een boerenhoeve. Daar kunt ge u verhuren als gedienstige... Er zal een tijd komen, dat ge voor deze nacht zult danken!'
Verder gingen de mannen. Enkele ogenblikken later was hun lichtglans verdwenen. Gehoorzamend het woord vervolgde Hille haar tocht. Zij kende geen angst meer. En in haar hart herleefde langzaam de blijdschap. Toen de beide goden gekomen waren op de hoogte, vanwaar zij over het slapende Laer konden uitzien, stonden zij lange tijd stil. Dan sprak Wodan, terwijl zijn stem trilde van toorn:
'Vloek over u, Laer! Vloek over u, rampzalig dorp, dat zijn eigen kinderen verkwanselt en verkoopt! ... Nimmer zult ge tot rijkdom en wasdom komen. Uw vleugels zullen lam zijn.
Want mijn zegen zal rusten op een ander dorp - een dorp, dat nog gebouwd moet worden ... een dorp, dat zal heten 'Hille-voor-de-som', naar de uitroep van hem, die in deze nacht schande bracht over z'n enige dochter! ... Dat dorp zal groot worden, ja het grootste en rijkste van Naerdincklant.' De stormwind voerde zijn woorden mee in de richting, die zijn uitgestrekte arm wees... naar Laer.
Nu hief Braga z'n handen op, niet dreigend, maar zegenend. En terwijl zijn prachtige mantel nog lichtgevender werd, zei hij: 'Arm Laer... arm Laer... Ik kan de vloek van de machtige Wodan, mijn vader, niet afwenden. Maar dit schenkt u Braga, de god der zangers en der sprooksprekers: in uw stulpen zullen eens grote kunstenaars wonen... Zó zal het zijn!'
Daarna stegen beide goden op naar hun wolkenrijk...
Onderwijl liep Hille voort. Eindelijk kwam zij bij een hofstede, en geheel uitgeput klopte ze aan. Hilfert, de jonge en sterke boer, deed open. 'Welkom hier,' zei hij vriendelijk-verbaasd. Zij wankelde. Het volgende ogenblik droeg hij haar naar binnen, Toen rust en liefdevolle verzorging haar de verloren krachten hadden hergeven, werd zij eerst dienstmaagd op de hoeve. Echter niet voor lang, want de jonge boer huwde haar. En als toegewijde vrouw schonk ze hem vele kloeke, schone kinderen.
Rondom hun woning ontstond langzamerhand een dorp. Hille-voor-de-som werd 't genoemd. Het is van Hille en Hilfert dat het stoere ras der Erfgooiers stamt!
Bron:
“Naerdincklant” Prof. A.C.J. de Vranckrijker (1947)
“Gooise Legenden” Henk de Weerd (1960)
“Verhalen opgetekend uit de mond van Gerard Zieltjens” (1957 – 1967)
“Bewerking en hertaling”: Ad Bakker (2018)
“Illustraties”: Rob Numan (2025)
“Liedjes, tekst en muziek”: Ad Bakker (2023)
Rechten:
De liedjes behorend bij de serie "Historische verhalen, sagen en legenden" uit het Gooi’ zijn auteursrechtelijk beschermd. Het muziekbestand wordt in deze bijdrage uitsluitend beschikbaar gesteld ter beluistering. Downloaden, opslaan, delen, herpubliceren, bewerken of elders plaatsen is niet toegestaan zonder voorafgaande toestemming van de rechthebbende(n).
Het muziek label "Kwapoets" is onderdeel van de stichting ErfGoedGezien Nederland.
Luister naar het verhaal lied
Hille voor de som
00:00