Groep Sagen
Het werk van Ner en Wer
(Stichting van Oud-Naarden)
Op de zuidelijke grens van het wijde Naerdincklant, temidden der donkere bossen, woonden twee tweelingbroeders. Reuzen waren ’t, groot en sterk, zoals slechts zelden onder de mensen aangetroffen. Zelf meenden zij kinderen te zijn van een god, die eens een aardse vrouw liefkreeg. Maar hun ongetwijfeld beeldschone moeder hadden ze niet gekend. Zij was gestorven in de nacht van hun geboorte. De verschillende bospaden liepen uit op een moeras. Dicht bij deze verraderlijke plek stond hun kasteel, ingesloten door brede grachten en omgeven door wallen met hoge torens.
De verschillende bospaden liepen uit op een moeras. Dicht bij deze verraderlijke plek stond hun kasteel, ingesloten door brede grachten en omgeven door wallen met hoge torens.
Beide mannen leefden in hoofdzaak van de jacht. De uitgestrekte wouden rondom wemelden van wild: evers, bokken en herten, benevens ’t kleiner gedierte, dat loopt en springt, kruipt en vliegt.
En er groeiden heerlijke vruchten. Wat zij aan spijs en drank nog mochten tekortkomen, betrokken zij van de flinke hoeve verderop, waar hun arbeiders met vreugde de akkers bebouwden en het vee verzorgden.
En er groeiden heerlijke vruchten. Wat zij aan spijs en drank nog mochten tekortkomen, betrokken zij van de flinke hoeve verderop, waar hun arbeiders met vreugde de akkers bebouwden en het vee verzorgden.
Ner en Wer heetten de reuzen. Zij waren niet boos, maar goed en hulpvaardig. Geen arme, weduw of wees deed ooit vruchteloos een beroep op hen. En hun krachten wendden zij aan ter beveiliging van het land, dat ze liefhadden met al de grootheid van hun natuurminnende zielen. [1]
Niemand behoefde gebrek te lijden. Alleen verdorven zielen moesten hen vrezen.
Eens stonden de reuzen op een der terrassen van hun machtige woning en zagen uit over het bosrijke land, goud en purper gekleurd door het licht van de ondergaande zon. “Zie toch, hoe schoon ons Vuurse is!” sprak Ner. “Het is een land van de goden zelf. Wie zou er niet gelukkig zijn?”
“Ons hele Naerdincklant is schoon en teer”, antwoordde Wer. Na enkele ogenblikken vervolgde hij, als in gedachten: “We zijn sterk genoeg om het van deze kant te beschermen, maar hoe zal ’t gaan, wanneer er van de zijde van Almeri** eens invallers zouden komen?”
Die nacht konden zij niet slapen. De gedachte, dat er gevaren konden dreigen van de kant waar het grote meer golfde, hield hen voortdurend bezig.
Des morgens echter was hun besluit genomen. “Wij zullen een stad stichten”, zeiden ze tot elkaar. “Een stad, groot en machtig, en in staat ons mooie Naerdincklant naar de andere zijde te beveiligen tegen geweldenaars en wrede vijanden.” Direct na de maaltijd gingen zij op weg, stappend over bossen en zanderijen en heidevelden, zo snel ze konden. Ner’ s eerste stap was zó krachtig, dat er zeven grote aardkluiten opvlogen op de plaats, waar zijn voet neerkwam. “Hier zal eenmaal een schoon en rijk dorp worden gebouwd”, mompelde hij. “Een dorp liggend tussen zeven heuvelen.” (Hilversum) “En hier moet eveneens een dorp komen, bekoorlijk en vredig”, vervolgde hij z’n alleenspraak, de tweede stap nemende. (Laren)
Bij de derde stap sprak hij, glimlachend over zijn eigen gedachten: “En natuurlijk óók hier!” (Blaricum)
De vierde stap bracht hem bij het water van Almeri.
En Wer? Ook hij wilde mensen doen wonen op de plaats waar zijn voeten tijdens deze tocht de aarde raakten. Omdat hij in z’n haast de eerste stap iets te groot nam, zakte hij bijna weg op een drassige plek, vol met wuivend en pluimend riet. Ietwat ontstemd, bromde hij: “Een dorp zal hier verrijzen, ja. Maar tot straf voor de bedrieglijke bodem zal ’t niet immer roem dragen.” (’s-Graveland)
De tweede stap was kleiner en deed zijn voet rusten op vaste grond, tussen hoog-opgaand geboomte. “Dit dorp zal groter en schoner zijn”, sprak hij, weer in z’n humeur. (Bussum)
De derde stap volgde. “Van deze plaats zal gelden, dat ze niet mooi, maar wel goed is”, mompelde hij. “En onsterfelijk wordt haar naam.” (Muiden)
Nòg een stap, en hij stond aan het golvende meer...
Toen pakten de reuzen elkaars handen en vormden een kring.
“De stad die ons schone land beschermen zal, komt hier”, zeiden ze. “Deze kring geeft de buitenmuur aan. En alleen déze vesting zal onze naam dragen, zolang zij bestaat. Wij noemen haar Nerwer!” ([2]
Enige tijd later werd er een vrolijk feest gehouden. De stichting der veste moest gevierd. De twee goede, geweldige reuzen hadden allen uitgenodigd, die zij konden bedenken en die waardig geacht werden het grote werk te huldigen: kleine reuzen en reuzinnen, bos-, heide- en zandgeesten, elfen, kabouters en kobolden.
Helaas, zij hadden er één vergeten: Aegir, de zeegod... [3]
Daarna bleven Ner en Wer rustig wonen op hun kasteel in Vuurse. Naerdincklant was nu aan alle zijden beveiligd. Zij konden blij en tevreden zijn. [4]
Hoe zouden ze weten, dat Aegir woedend was?
[2] Deze naam zou dan zijn verbasterd tot 'Naerden' = Naarden. Zie over de betekenis van de naam: blz. 22, noot 2. Historisch is over het ontstaan van Oud-Naarden bekend, dat de plaats door keizer Otto I (de Grote) tussen de jaren 936-968 is gesticht of tot stad verheven.
[3] Aegir, de god van de zee, was gehuwd met Ran. Hun dochters zijn de zeenimfen (meerminnen).
[4] Aan Ner en Wer zouden in de Vuursche nog herinneren de 'Wernershoeve' en 'Drakensteyn'.
Rechten:
De liedjes behorend bij de serie "Historische verhalen, sagen en legenden" uit het Gooi’ zijn auteursrechtelijk beschermd. Het muziekbestand wordt in deze bijdrage uitsluitend beschikbaar gesteld ter beluistering. Downloaden, opslaan, delen, herpubliceren, bewerken of elders plaatsen is niet toegestaan zonder voorafgaande toestemming van de rechthebbende(n).
Het muziek label "Kwapoets" is onderdeel van de stichting ErfGoedGezien Nederland.
[1] Een vage fluistering zegt het tegenovergestelde: Ner en Wer zouden geweldenaars en rovers zijn, die de reizigers uitschudden en vermoordden, die de dorpen plunderden en verbrandden. Verder komt dit gerucht evenwel niet.
[*] In de oudheid heette de Vuursche 'Vurse' of 'Furs'. Dit betekent wellicht: vorstelijk woud.
[*] Almeri = de oudste naam voor het Ysselmeer (Zuiderzee).
Bron:
“Naerdincklant” Prof. A.C.J. de Vranckrijker (1947)
“Gooise Legenden” Henk de Weerd (1960)
“Verhalen opgetekend uit de mond van Gerard Zieltjens” (1957 – 1967)
“Bewerking en hertaling”: Ad Bakker (2018)
“Illustraties”: Rob Numan (2025)
“Liedjes, tekst en muziek”: Ad Bakker (2023)
Luister naar het verhaal lied
Het werk van Ner en Wer
00:00