Groep Sagen
Het klooster der duivelen
(Spookgeschiedenis te Laren)
Rustig en sterk stond daar het klooster der vrome monniken, zegen verspreidend tot in wijde omtrek. Waren er onder de mensen zieken en ellendigen, de gepijde mannen trokken uit en boden de helpende hand. Menige stakker werd liefderijk opgenomen binnen de hoge muren. In tijden van nood en oorlog vonden de weerlozen er een veilige toevlucht. Ook ontvingen eenzame reizigers en verdwaalde zwervers daar op hun vraag een vriendelijk nachtverblijf. Geestelijk moeden werden verkwikt, hongerigen werden gevoed, dorstigen gelaafd, rouwdragenden getroost, naakten gekleed, neergebogenen opgericht.
Het deed er niet toe of men arm dan wel rijk was. Allen, die steun, troost en raad nodig hadden, werden geholpen. Naar naam, rang of stand vroegen de monniken niet. Slachtmaand was het en vinnig koud. Door de donkere nacht raasde de storm. Wie zou zich buiten wagen? Zwaar viel de klopper op de kloosterpoort. Een reiziger, gehuld in zwarte mantel, wachtte. Feller loeide de wind. Oehoei ... Oehoei ... Oehoei .. .
Harder klopte de man. Het luikje ging open en een stem vroeg wat hij wenste. 'Nachtverblijf? Ja, dat kan wel.' De grendels werden verschoven. Even knarste de zware deur op haar scharnieren. Een korte groet werd gewisseld en de reiziger trad binnen. Zwijgend volgde hij de broeder, die hem haastig voorging door smalle gangen en langs steile, stenen trappen. Dan ontsloot de kloosterling een kleine kamer, stak een kaars aan en zei eenvoudig: 'Uw slaapvertrek. In die hoek staat uw rustbank, daar liggen dekens ...
Ik zal het licht hier laten. Aanstonds breng ik u spijs en drank.'
De reiziger deed zijn mantel af en zette zich op de brits. Somber staarde hij in de kaarsvlam. Hoor! De storm werd nog heviger. Hozend stroomde buiten de regen neer. Het was of de muren kou uitstraalden. Weldra kwam de broeder terug met brood en kaas en een stoop warm bier. 'Dat het u smake,' zei hij, terwijl hij de spijzen neerzette. 'En slaap straks wel, God zegene u!' De vreemdeling knikte en zweeg. Even glinsterden zijn donkere, diepliggende ogen. Geruisloos ging de monnik heen. Drie dagen en drie nachten hield de storm aan. Al die tijd bleef de zwijgzame gast in het vriendelijke klooster. Hij wandelde op z'n gemak door de gangen en zalen. Hij bekeek met kritische blik de vele muurschilderingen, en bladerde in oude boeken en perkamenten. Hij at en dronk hetgeen dienstvaardige handen hem toeschikten. Maar hij sprak geen enkel woord.
De monniken lieten hem in vrede rondgaan. Zij hadden het steeds druk met hun arbeid en hun gebed. Zij konden hem geen extra aandacht schenken Soms trok een grijnslach over het gelaat van de vreemdeling, wanneer hij de mannen verdiept zag in hun vrome bezigheid. Maar wie zou dat opmerken? Na de derde nacht bedaarde het onweer. De bezoeker wenste te vertrekken, en bij de poort nam hij afscheid van de oude prior. Hij legde z'n beide handen op de schouders van de monnik en keek deze lang en diep aan. Geen woord kwam over zijn lippen. Geen woord van dank, geen woord ten groet. Alleen boorden zijn zwarte, vurige ogen zich in die van de ander. De prior huiverde.
Verward staarde hij daarna de vertrekkende vreemdeling na. Eensklaps zag hij, hoe een rode vlam uit de stenen van de weg sloeg. Op hetzelfde moment was z'n gast verdwenen. Een dodelijk bleek trilde over zijn zachtaardig gezicht. Het scheen even of z'n kleine gestalte nog gedrongener werd. 'Heilige Moeder Gods,' murmelden zijn lippen, 'nu weet ik het, nu weet ik waarom hij me zo vreselijk aankeek. We hebben de duivel geherbergd, De duivel.' Tot in zijn ziel geschrokken, keerde de prior langzaam terug naar z'n cel, steeds opnieuw mompelend: 'Hij heeft mij aangeraakt, hij heeft mij besmet. Wat moet ik doen? 0h, die ogen, die ogen! Zó heeft het leven geen waarde meer voor mij.'
Die avond vertelde hij de kloosterlingen wat gebeurd was. Toen zijn bevende stem zweeg, bleef het lange tijd stil in de zaal. Eindelijk sprak een der oudere monniken; 'Niet alleen gij, oh vader, zijt besmet geworden door de boze. Wij allen zijn besmet. Heeft hij niet ons vaatwerk gebruikt? Heeft hij niet door onze gangen en zalen gelopen? Heeft zijn hand niet de gewijde boeken aangeraakt? Heeft zijn adem ons niet bestreken? Misschien staan wij thans op de plek waar slechts weinige uren geleden zijn tred ging! Ziet, oh mijn prior en broeders, wij allen zijn bezoedeld en moeten boeten.' Dit woord vond weerklank. Zij besloten gezamenlijk boete te doen. En ter bedevaart te trekken naar het Heilige Land.
De duivel had pret!
Bij het vallen van de nacht zag hij de vrome mannen gaan. Niemand bleef in het klooster achter. Op dit ogenblik had hij gewacht. Maar de mensen mochten niet weten wat er aan de hand was. Tenminste, voorlopig niet. Snel verzamelde hij een aantal demonen en heksen. Haastig gaf hij z'n instructies. Toen namen de geroepenen de gestalten der vertrokken monniken aan, en hulden zich in gelijksoortige gewaden. Daarop gingen ze het klooster binnen. Precies als voorheen klepte het angelus en luidde de vesper.
Vroeger ontblootten de dagloners op de nabijgelegen akkers hun hoofden wanneer de lichte klokjes riepen. Dan staakten zij een wijle hun arbeid en zegden devoot hun gebeden. Jawel, jawel! Maar nu was het anders, heel anders. Nu vergramden de mannen en vloekten balorig. Precies als voorheen ontvingen de zieken allerlei medicijnen. Doch niemand herstelde of werd meer getroost. En velen stierven in angst en pijn. Met raad waren de kloosterlingen gul. Iedere bedrukte en berooide kon bij hen terecht. Vaak brachten hun adviezen aanvankelijk geldelijk gewin. Maar tenslotte was diepere ellende het gevolg. Niet zelden kerker of galg. En zij, die hongerig en vermoeid aanklopten om onderdak? Hun reizen en zwerven had een einde. Zij zagen het daglicht nimmer terug!
Door geen sterveling opgemerkt, kwamen des nachts alle boze geesten uit verre omgeving binnen de kloostermuren. Dan was het feest voor hen. Klokke twaalf lazen zij de zwarte mis. Daarna aten ze mensenvlees en dronken mensenbloed. Vervolgens gingen zij uit om allerlei kwaad te stichten; Zij bezorgden de slapenden akelige dromen. Zij deden de zieken ijlen van koorts. Zij zaaiden onkruiden over de akkers en maakten het makke vee schrikachtig. Zij wierpen alsem in putten en bronnen.
Zij lieten de vrouwen sterven in het kraambed en lokten de mannen naar spel en drank. Zij plaagden de maagden met onvruchtbaarheid . . Groot en diep werd de smart waarin het volk zich gedompeld zag. Nooit tevoren steeg klagender lied van de aarde opwaarts. Zouden leed en bitterheid dan nimmer eindigen?
Het werd Kerstmis.
De duivelen en heksen vierden weer hun luguber feest. Eensklaps brak te middernacht een hevig onweer los. Zó onverwachts kwam het, dat de mislezende duivel verschrikt ophield. Deuren klepperden hol. Muren trilden onder de beukende windstoten. Glasscherven rinkinkten naar beneden. In de hof werden de kale bomen ontworteld. Van de toren werd het grote, zware kruis afgerukt en weggeslingerd. Wie beleefde ooit zo'n storm?
Met stomheid geslagen, wachtten de satanse kloosterlingen. Grijnzend van angst keken ze elkaar aan. Toen verstarden zij. Een vreselijk gesteun scheen uit de aarde omhoog te rijzen. De muren van het klooster wankelden. Steenklompen ploften ergens weg in de diepte. Wijd opende zich de grond. Enkele ogenblikken later was alles verdwenen .. . De volgende morgen lag het land stralend in de kille winterzon. Een dikke sneeuwlaag bedekte de plek waar het klooster had gestaan. Niemand kon het ooit terugvinden!
Gaat gij wel eens in storm en onweer over de Capittenweg? Zo ja, luistert dan goed. Soms kan men nog de jammerkreten der duivelen en heksen horen. Wees niet bevreesd, oh wandelaar. Zij zijn voor altijd in de diepten der aarde verbannen. Of wilt ge misschien zoeken naar het verdwenen kloosterkruis? Weet dan, dat dit hoog door de lucht in ’t Naardermeer terecht kwam. Daar zonk het weg, onvindbaar.
Rechten:
De liedjes behorend bij de serie "Historische verhalen, sagen en legenden" uit het Gooi’ zijn auteursrechtelijk beschermd. Het muziekbestand wordt in deze bijdrage uitsluitend beschikbaar gesteld ter beluistering. Downloaden, opslaan, delen, herpubliceren, bewerken of elders plaatsen is niet toegestaan zonder voorafgaande toestemming van de rechthebbende(n).
Het muziek label "Kwapoets" is onderdeel van de stichting ErfGoedGezien Nederland.
Bron:
“Naerdincklant” Prof. A.C.J. de Vranckrijker (1947)
“Gooise Legenden” Henk de Weerd (1960)
“Verhalen opgetekend uit de mond van Gerard Zieltjens” (1957 – 1967)
“Bewerking en hertaling”: Ad Bakker (2018)
“Illustraties”: Rob Numan (2025)
“Liedjes, tekst en muziek”: Ad Bakker (2023)
Luister naar het verhaal lied
Het klooster der duivelen
00:00