Ga naar de inhoud

Een Gods Vrede - ONF Groepen Overzicht 2026 versie 5.0

Menu overslaan
Menu overslaan
ONF Groepen NL
Groep Sagen
Een Godsvrede
(De Berenkuil bij Blaricum)
Heel lang geleden leefden vele wilde dieren in de dichte wouden van Naerdincklant. Nooit waren de schapen en runderen veilig voor hen. Ook belaagden zij meermalen het leven der mensen. Bovendien was de schade, die zij aanrichtten aan de bouwlanden en de gewassen, vaak groot. Vooral in de winter, als de sneeuw hoog lag, dreef snijdende honger hen naar de kleine dorpen, rovend wat van hun gading was

De mensen verweerden zich grimmig. Zij jaagden met alle wapenen: mes en speer en boog, strik en net en klem. De huid hunner gevallen vijanden gebruikten zij voor kleding en dekking. Het vlees roosterden ze veelal boven hun vuren. Het was een angstige, gevaarvolle tijd. In felle haat waren mensen en dieren steeds voor elkaar op hun hoede, sluipend en loerend en toespringend daar, waar de kans schoon leek.
Zou dat altijd zo door kunnen gaan?

Het ogenblik kwam, dat beide partijen hunkerden naar vrede. Hoe zouden de dieren hun rijk kunnen behouden, wanneer zij geen veilige plek meer hadden om hun jongen te werpen, te voeden en te koesteren? Hoe zouden zij heersers der wildernis blijven, wanneer de jongen werden geroofd of ook ontijdig stierven, omdat de ouden vielen in de genadeloze strijd? En de mensen, zij zagen hun akkers verwoest, hun gewassen vertrapt, hun vee verscheurd, hun leven bedreigd. Uit hun bestaan was alle blijdschap en vrijheid verdwenen.

Toen werd de godsvrede gesloten! Niemand weet precies hoe. Voor de tijd van een vol jaar zou men zonder angst of vrees kunnen gaan door velden en bossen, ja langs alle wegen. Overal zou het veilig zijn. Niet de minste haat mocht blijken. Niet de geringste gramschap. Zó werd bepaald onder het oog der wakende goden.
Oh, welk een tijd - zo blij, zo vrij, zo rijk!

De mensen bouwden en zaaiden en oogstten als nooit nog tevoren. Hun kinderen speelden buiten naar hartenlust. Hun beesten graasden ongestoord op de meent. Onbekommerd ging men door de wouden en over de heuvelen. De wapenen waren geborgen. De veestapel wies. Zonder duchting voor enige vijand zoogden de dieren haar jongen. Alom was de lucht zwanger van sprankelend licht. Zo goed werd voor allen het leven! Te snel ging een zomer voorbij. Wéér kwam de winter.

Op een morgen vond men de deur van de schaapskooi een weinig open. In de verse sneeuw rondom waren bloedige sporen. De gezichten der mensen verbleekten. En hun harten vergramden. Hielden de wilde dieren zo de godsvrede? Wie anders kon deze gruwelijke schending hebben bedreven dan een wolf of een beer of een das, een hongerige rover uit het woud?

Drie woedende mannen besloten de schanddaad te wreken. Zij dachten niet verder na. Zij grepen alleen hun scherpe speren, zo lang vergeten. Haastig trokken ze uit, de velden door, de heuvelen over. Maar geen sporen wezen de weg, die zij te gaan hadden. Toen, op eenmaal, stonden de mannen stil. Wijd en blank lag de heide voor hen. 'Hier! het spoor van een beer,' zeiden ze, zich bukkend naar de glinsterende sneeuw. 'Dit zal de rover zijn, die wij zoeken. ' Voort gingen de mannen, al maar voort. In hun harten vlamde de oude haat. Vaster hielden hun verkleumde knuisten de wapenen omkneld. Wat deerden koude en honger? Na de wrake wachtte de rust!

De sporen leidden naar een kuil, verborgen achter dikke bomen en half bedekt met struikgewas, zwaar gebogen onder de sneeuwlast. Schier geruisloos slopen de jagers nader. Het gezochte dier was er niet! Wat nu? Zouden zij nog verder gaan?

Van hieruit liep een tweede spoor. Het verdween aan de andere kant in het donkere woud. De mannen aarzelden. Dan besloten zij te wachten tot de beer zou terugkeren. Dat kostte de minste inspanning. In de kuil zetten zij zich neer. Dicht tegen elkaar aan voor de barre koude. En luisterend naar elk geluid. Maar niets verried, dat de vredeschender naderde.

Het wachten duurde lang. Hun handen werden stijf en lieten de wapenen rusten. Hun ogen werden zwaar van het turen over de sneeuw. Langzaam vielen ze in slaap. Stil daalde de Midwinternacht. Toen de jagers ontwaakten, schrokken zij hevig. Bij hen lag een grote beer rustig te snurken. Zijn ruige, koesterende vacht verwarmde hen. Sprakeloos keken de mannen elkaar aan. Wat moesten zij doen?

Eensklaps klonk een vreemde stem: 'Mens, mens! waarom wilt gij de godsvrede schenden in deze heilige nacht? Waarom telt ge niet de schapen in de kooi? Zij zijn er immers allemaal! Het ene schaap, dat uitbrak en weer terugkeerde, verwondde zichzelf. Gij wilder dat in uw gramschap niet zien. Ziet! de beren zijn hongerig. Nochtans houden zij woord en bewaren de vrede. Gij, o mens, zijt erger dan een beest!'

De stem zweeg. Niemand was te zien. Een grote stilte viel. Zwijgend stonden de drie mannen op. Over hun gezichten vlamde het rood der schaamte. Zonder de beer kwaad te doen, slopen ze heen.

Hun speren vergaten zij.

Wie gaat langs de Schuttersweg, kan nog komen bij de berekuil. Uit die kuil stijgt een stille sprake op, wijs en heilig. Zó, dat zij vergeten doen te zoeken naar de speren. Want ergens moeten deze daar nog altijd liggen!


Rechten:
De liedjes behorend bij de serie "Historische verhalen, sagen en legenden" uit het Gooi’ zijn auteursrechtelijk beschermd. Het muziekbestand wordt in deze bijdrage uitsluitend beschikbaar gesteld ter beluistering. Downloaden, opslaan, delen, herpubliceren, bewerken of elders plaatsen is niet toegestaan zonder voorafgaande toestemming van de rechthebbende(n).
Het muziek label "Kwapoets" is onderdeel van de stichting ErfGoedGezien Nederland.

Bron:
“Naerdincklant” Prof. A.C.J. de Vranckrijker (1947)
“Gooise Legenden” Henk de Weerd (1960)
“Verhalen opgetekend uit de mond van Gerard Zieltjens” (1957 – 1967)
“Bewerking en hertaling”: Ad Bakker (2018)
“Illustraties”: Rob Numan (2025)
“Liedjes, tekst en muziek”: Ad Bakker (2023)
Luister naar het verhaal lied
Een Godsvrede
00:00

(c) 2020 - 2026 Stichting ErfGoedGezien Nederland
Werkgroep ONF (In Oude & Nieuwe Foto's)  
info@onfgroepen.nl
Terug naar de inhoud