Ga naar de inhoud

De zingende Meermin - ONF Groepen Overzicht 2026 versie 5.0

Menu overslaan
Menu overslaan
ONF Groepen NL
Groep Sagen
De zingende Meermin
(Muiden)
Ergens op de bodem der zee staat een wonder paleis. Het is de woning van Aegir en Ran. [1]
Altijd heerst er een groenachtige schemering. In de vele kamers bloeien de prachtigste bloemen. En in de kronkelige gangen tiert welig het strengelend wier. Vreemde, donkere gedrochten zwemmen er wakend rond. Ze hebben lange grijparmen en scherpe tanden. Wee degenen, die ongenood naderen!

Rondom het paleis is een tuin. Vol met diepe en duistere spelonken. Daar worden de lijken geborgen van hen die verdronken zijn. En achter de tuin bevindt zich het grote, grijszwarte woud, waarin de stormen en orkanen huizen. Zij houden zich stil, zolang Aegir zwijgt. Doch als hij hen oproept, komen ze brullend tevoorschijn. Dan gaat de zee koken en bruisen
Talrijk zijn de kinderen van het machtige koningspaar. Meermannen en meerminnen worden zij genoemd. Hun bovenlichaam is gelijk aan dat van de mensen. Iets kleiner, maar immer lenig en blank als ivoor. Het onderlijf is eigenlijk één forse, sterke, geleidelijk dunner wordende staart, bedekt met glinsterende schubben. Goudblond is hun weelderig haar. In dichte, kunstige vlechten hangt 't neer langs rug en borst. Sneller dan de vissen kunnen zij zwemmen. Een vrolijk spel is hun leven.

 
Wanneer het stormt, wiegen zij graag op de golven. Maar als de wateren kalm zijn, tokkelen ze vaak wondere melodieën op de zelfgemaakte harpen van visgraat. Dan is 't of de zee overal zingt!
Voor twee dingen moeten de koninklijke kinderen oppassen: De ogen van mensen mogen hen niet zien. En 't geluid der kerkklokken mogen ze niet horen. Als dat gebeurt, kunnen zij een ziel krijgen!

 
Duister was de nacht. Hoog groeiden de brullende golven. Een kleine zeemeermin had schik als nimmer tevoren. Nu eens dartelde zij door het ziedende water, dan weer liet ze zich lachende wiegen tussen 't vlokkig schuim van de branding. Maar door haar vrolijke speelsheid vergat ze de tijd.

 

Tegen het ochtend-grauwen kwamen de wateren tot rust. Plots ontdekte de prinses, dat zij verdwaald was. Verdwaald, in de haven van Muiden. [2] Snel dook ze onder om terug te keren naar het diepe paleis, voordat de mensen haar zouden zien.

Toen - wat een schrik!

Eensklaps voelde zij gevangen te zijn in de netten, die vissers hadden uitgezet bij de monding van de Vecht. Wanhopig probeerde ze los te komen. Doch steeds meer verwarde zij zich in de verraderlijke mazen. Steeds pijnlijker snoerde het garen haar borsten en staart. Zo moe en verdrietig werd ze. Wat zou nu haar lot zijn?

Als elke morgen haalden ook thans de vissers hun netten binnen. Zij waren tevreden, want goed was de vangst. De sterke handen repten zich het blanke zeebanket te grijpen. Spoedig waren de mannen met het laatste net bezig. Hoe hadden zij het nu? Bijna ontglipte 't dikke windtouw hun vingers. Groot werden hun ogen.

Tussen 't knellende garen spartelde het gevangen prinsesje. Nimmer nog hadden de vissers zoiets gezien. Een kreet van afgrijzen ontsnapte hun monden: 'Een zeewijf! Een meermin!'

In minder dan geen tijd had het nieuws de ronde gedaan. Van alle kanten draafden de mensen aan. Iedereen wilde de zeemeermin zien. Kinderen werden aan hun lot overgelaten. Vrouwen scholden en gilden. Mannen bromden en vloekten. Heel het stadje was in rep en roer.

Op de kade lag 't prinsesje der zee. Smekend hief zij de handen omhoog. En haar stem snikte: 'Ach, laat mij weer gaan. Ik kan hier niet blijven, laat mij weer gaan naar m'n mooie paleis van wier en koraal. Daar kan ik spelen en zingen.'

'Wat zegt ze?' schreeuwden de mensen door elkaar. 'Wat zegt ze? Wij kunnen het wijf niet verstaan!' Over de eerste verbazing heen, begonnen sommigen te spotten: 'Haha, hoe schone maagd van boven. Een bekje om te snoepen! Maar zagen we ooit zo'n monsterlijke staart?'

Anderen zeiden: 'Komaan, wij houden haar zo lang ’t ons lust. Ons stadje zal bloeien, want velen zullen komen om het maagdje te bezien.' Smekender nog hief de ongelukkige haar armen. Inniger nog klonk haar bede. 'Heb toch deernis met mij. In 't water ben ik machtig. Zo ge mij vrijlaat, zal ik uw schepen bij stormweer bewaren. Altijd zal ik gedenken, hoe goed ge waart! Toe, laat mij weer gaan.'

Tevergeefs vloeiden haar tranen. Tevergeefs bad haar droef zilveren stem. De mensen verstonden haar vreemde taal niet! Opeens begonnen de kerkklokken te luiden voor het morgengebed. Een lange siddering voer door het slanke lichaam van de meermin. Even kromp zij in elkaar. Dan boog ze het hoofd en zweeg. Lachend droeg men haar een der huizen binnen.

Een grootogig monster stak even zijn kop boven ’t watervlak uit. Hij was gezonden om de verdwenen prinses te zoeken. Niemand zag het. En niemand wist, hoe 't dier aanstonds voortsnelde door de diepten der zee, om de droeve boodschap te brengen naar het wondere paleis. Aegir en Ran waren woedend. Zij wilden hun kind terug.

Zonder ophouden lieten ze de orkanen loeien. Wild sprongen de razende vloeden op tegen de wallen van Muiden. Vele dagen en nachten achtereen. Bomen werden ontworteld. Muren en weringen scheurden. Menig scheepje verging. Er scheen geen einde aan het noodweer te komen.

Angstig vroegen tenslotte de mensen zich af wat toch wel de oorzaak mocht zijn van deze verschrikking. 'Het zeewijf,' fluisterde iemand. 'Misschien is 't om háár.' Dat woord ging van mond tot mond. 'Laten we haar weer in de haven werpen,' wilden velen. Aldus geschiedde. En zie, direct wielden de opgelopen wateren terug. De gierende storm stilde. Het stadje herademde.

De volgende avond, toen de wind zachtjes landwaarts woei en de ondergaande zon sprankels van goud en zilver op het rimpelende water toverde, steeg de verbazing der stedelingen ten top. De kleine meermin was naar Muiden weergekeerd. Lange tijd zwom zij voor de monding van de Vecht op en neer. Nieuwsgierig zagen de mensen toe.

Ze wisten niet, dat Aegir’s dochter een ziel had gekregen, toen de kerkklokken bimden door de morgen van haar gevangenschap. Ze wisten niet, dat het prinsesje nu sterven moest, wijl zij nooit meer gelukkig zou kunnen zijn in het diepe waterpaleis.

Ze wisten evenmin, dat het 'zeewijf' nog eenmaal mocht opstijgen om de stad, die zo wreed haar bejegende, te vloeken. Thans met menselijke stem! Wie zou dit ook kunnen weten? 'Hoor, zij zingt,' waarschuwde men elkaar. 'Hóór!' Schoon en welluidend klonk haar zang, een harp-toon gelijk. En allen verstonden het lied:

Muden sal Muden bliven,
Muden sal noit becliven. [3]
Een grooter wasdom blift alleen
an Y en Amstelstadt verpand. [4]

Langzaam begon men de woorden te begrijpen. 'Zij wreekt zich op ons,' zeiden sommigen. 'Zij vloekt onze stad,' bevestigden anderen. Steeds opnieuw zong de meermin hetzelfde lied. Zolang, tot allen het kenden. Toen ging zij heen, naar de duistere grotten van Aegir en Ran. Nimmer zag men haar weer.

De jaren verstreken.

Altijd voeren de vele, rijk-beladen schuiten af en aan. De nering op Utrecht en Rijnland bloeide. De mensen werden rijk. Wie geloofde nog aan de profetie van de zingende meermin?

En toch ………

Almaar grotere schepen werden gebouwd. Zo groot tenslotte, dat de rivier te klein werd, andere wegen moesten gezocht. Allengs verdwenen drukte en vertier. Allengs verloor Muiden haar roemruchte naam. [5] Langzamerhand verarmden de mensen. Muiden bleef wat het eens was.

Het stadswapen vereeuwigt de zee-prinses, die naast een meerman uit 't water opduikt en met hem het schild draagt.


[4] Alles wees er een tijdlang op, dat Muiden groot en welvarend zou worden, ja zelfs de hoofdstad des lands. Het stedeke lag aan de zee, aan de riviermond en aan de grote heirweg over land. En toch bleef Muiden klein. In haar plaats bloeide Amsterdam en werd tot hoofdstad.
[5] Ook is wel gedacht aan de beroemde Muiderkring, die onder leiding van P. C. Hooft (drost van Muiden, baljuw van Gooiland en hoofdofficier van Weesp - 1647) op het sterke slot (eens eigendom van Gijsbrecht van Amstel en gevangenis van graaf Floris V) samenkwam, de letterkunde beoefende en musiceerde.
Rechten:
De liedjes behorend bij de serie "Historische verhalen, sagen en legenden" uit het Gooi’ zijn auteursrechtelijk beschermd. Het muziekbestand wordt in deze bijdrage uitsluitend beschikbaar gesteld ter beluistering. Downloaden, opslaan, delen, herpubliceren, bewerken of elders plaatsen is niet toegestaan zonder voorafgaande toestemming van de rechthebbende(n).
Het muziek label "Kwapoets" is onderdeel van de stichting ErfGoedGezien Nederland.

[1] Aegir de god van de zee, was gehuwd met Ran. Hun dochters zijn de zeenimfen (zeemeerminnen).
[2] Muiden bestond reeds in 't jaar 948. In de oudste brieven heet het stadje 'Amuthon' (Amuda).
 A = water. Muthon = monding.
[3] Noit becliven = nooit in bloei toenemen.
Bron:
“Naerdincklant” Prof. A.C.J. de Vranckrijker (1947)
“Gooise Legenden” Henk de Weerd (1960)
“Verhalen opgetekend uit de mond van Gerard Zieltjens” (1957 – 1967)
“Bewerking en hertaling”: Ad Bakker (2018)
“Illustraties”: Rob Numan (2025)
“Liedjes, tekst en muziek”: Ad Bakker (2023)
Luister naar het verhaal lied
De Zingende Meermin
00:00

(c) 2020 - 2026 Stichting ErfGoedGezien Nederland
Werkgroep ONF (In Oude & Nieuwe Foto's)  
info@onfgroepen.nl
Terug naar de inhoud