Groep Sagen
De wolvin in de kerstnacht.
(Wolfsdreuvik - Wasmeertjes bij Hilversum)
Op de Wolfsdreuvik een ruige plek in het Naerdincklant nabij het dorp Hilversum, huisden de wolven. Het aantal verscheurende beesten nam snel toe en bijna geen enkele bewoner van de streek durfde het te wagen om door deze woestenij te gaan, omdat zij vreesden aangevallen en gedood te worden. Niet ver daar vandaan bevonden zich enkele waterkommen op de heide, waterkommen waarin herders steeds hun schapen en geiten wasten. Deze waterkommen werden daarom de “Wasmeertjes” genoemd.
Vaak hadden de rondzwervende wolven grote honger. Dan kwamen ze met slijm-lekkende tongen, onder een angstaanjagend gehuil, aangerend en stortten zich op de arme, weerloze schapen en geiten. Vooral in de winter, wanneer over het Naerdincklant een scherpe vrieswind woei, de gehele streek bedolven lag onder een sneeuwvacht en de Wasmeertjes bedekt waren met ijs, werden de zwervende wolven brutaal. Soms waagden zij zich aan de rand van het kleine dorp en roofde wat van hun gading was. Het kon zelfs gebeuren dat er mensen verscheurd werden. Steeds weer moest men gewapend op pad gaan, beducht voor een plotselinge overval door de wolven, razend van honger. Elke keer breidde de wolvenplaag zich verder uit. De mensen vroegen zich dan ook af “Komt er dan nooit een einde aan deze ramp?”.
Dicht bij het dorp woonde een arme schaapherder in een zelfgebouwde hut van heideplaggen en wat hout. Hij leefde er alleen met zijn hond een pover bestaan. Slechts weinig streekgenoten keken naar hem om. Wanneer de schapen in de winter veilig waren in de ruime dorpsstal, hadden de mensen zijn diensten voor enkele maanden niet meer nodig. Dan klopte “de armoede” bij hem aan en probeerde hem ook zijn laatste brok brood af te nemen. Daarom loerde hij in de wintertijd op de wolven, voor wiens huiden graag een goede prijs werd betaald. Zo rekte hij zijn harde leven ....
Het was weer eens Kerstavond geworden. Dagenlang had de grijze, zwaar-bevrachte hemel zich ontlast van de donzige vlokken. Een dikke, witte deken had het land toegedekt en de eenzame hut was bijna bedolven. Binnen in de plaggenhut, bij het warm vlammende houtvuur, zat de herder met zijn hoofd gesteund in zijn handen. Zou hij, net zoals altijd op deze heilige avond, straks naar buiten gaan en de kleine dorpskerk bezoeken, waar om middernacht het Kerstkindje te vinden was? De wegen waren niet gemakkelijk te begaan door de hoog opgetaste sneeuw. Erger nog, de wolven slopen rondom zijn kleine hut.
Hij hoorde hun hijgende adem en zag in gedachten hun bloederige ogen gloeien als kooltjes vuur. Moest hij als gelovige niet alle gevaren trotseren? Mocht enige strijd hem te zwaar zijn voor het Kribbekind? Enige weg te lang of te moeilijk?
'Kom,' mompelde hij in zichzelf, 'kom ... ik moet 't wagen. Ik ben toch geen oude, bange vrouw? Ik heb immers al zo vaak met dat wilde gespuis gevochten. Mijn vlijmscherpe dolk en mijn blinkende bijl zijn wapens waarvoor het ongure tuig respect heeft en een brandende toorts houdt de beesten wel van m'n lijf.' Wéér hoorde hij het akelige gehuil van de wolven. Wéér vernam hij hun korte adem. Wéér stelde hij zich voor hoe de dieren in een kring rondslopen, de koppen half opzij gebogen, de bekken beschuimd en gereed om zich te werpen op elke prooi.
'Nee, het zou God verzoeken zijn nu naar buiten te gaan,' meende hij. 'Ik moet hier blijven.' Luisterend en mijmerend zat de herder lange tijd stil .. . Plots schrok hij op. Klonk ergens op de vlakte de kreet van een mens? Kon daar iemand in nood zijn?
Vreemd, hoe stil 't buiten was geworden! Weer gierde een felle kreet door de lucht. Het leed geen twijfel meer; er werd om hulp geschreeuwd. Nu mocht hij niet langer aan zichzelf denken; nu moest hij uitgaan om te redden, ongeacht het aantal wolven om hem heen .. .
Enkele ogenblikken later spoedde de herder zich over de witte velden, waar geen hongerige roofdieren meer schenen te zwerven. Hij liep op het geluid af, dat bij tussenpozen angstig en schril door de nacht gilde. In zijn linkerhand droeg hij een brandende fakkel, in zijn rechterhand hield hij de strijdbijl gereed voor het wachtende gevecht.
Bij de bosrand gekomen, stond hij met verwondering stil. In het licht van zijn toorts zag hij een jonge, mooie wolvin, die met haar poten geklemd zat tussen twee omgevallen bomen.
Een glimlach gleed over zijn gelaat. Dat was een buitenkansje, nimmer van gedroomd. Hoeveel zou die prachtige, gave huid hem straks opbrengen? Zijn hart klopte al met een snellere slag. Hij dacht er niet aan, hoe de bomen konden zijn gevallen. Hij dacht er evenmin aan, hoe het ondier precies tussen de zware stammen bekneld kon zijn geraakt.
Weer gierde het beest z'n pijn uit. Was dat 't geluid van een wolf? Het leek meer op 't angstige gekerm van een mens. De reeds opgeheven bijl zakte terug. Enige tijd stond de herder sprakeloos stil. Hij zag hoe de maan langzaam rees en haar koud licht uitgoot over de winterse aarde. Hij hoorde de felle kreten van het gemartelde dier.
Maar het was alsof alles hem voorbijging. Er ging alleen een vreemde vraag door zijn hoofd; de vraag, hoe een wolf mensengeluid kon voortbrengen ....
Toen vingen z'n oren het gelui van de kerkklokken uit het dorp. Christus-nacht!
'Moest ik dat vergeten?' verweet hij zichzelf, terugkerend tot de werkelijkheid. 'Het is Kerstmis geworden.' De wolvin kreunde. 'Ik kan jou niet meer doden,' zei de man zacht. 'Het is een heilig uur ... Ik weet niet hoe het komt, dat ik je moet laten leven ...'
Na veel moeite gelukte 't hem het uitgeputte dier te bevrijden. Telkens weer mompelde hij: 'Ik weet het niet, maar het moet ... Het is me, alsof ik een mens van de dood red.'
De wolvin wankelde en viel, zij had te veel geleden. Hij trok haar op en nam haar mee naar zijn hut, half slepend over de besneeuwde paden. Stil liet zij hem begaan. Bij het vuur in zijn hut verbond hij de deerlijk verwonde poten en van zijn povere voorraad gaf hij haar te eten. Af en toe sprak hij kalmerende vriendelijke woorden. Dankbaar keek de wolvin hem aan en likte zijn hand....
Enkele dagen verzorgde de herder 't dier zo goed hij kon. Toen keerde het genezen terug naar de Wolfsdreuvik. Van die dag af kwamen de wolven niet meer bij de hut. Evenmin in het dorp en verlicht haalden de geplaagde mensen adem.
Het werd voorjaar.
Op een avond ging de herder door het bos. Hij haastte zich langs de kortste weg naar zijn schamele woning. Eensklaps hield hij zijn passen in en snel greep zijn hand de vlijmscherpe dolk. Strak staarden zijn ogen in de verte. Vóór hem op het pad stond een grote wolf! Geen enkele beweging van het dier ontsnapte aan zijn aandacht. Stap voor stap kwam hij dichterbij en gereed tot de strijd. Maar in plaats van aan te vallen of weg te vluchten, legde de wolf zich op de grond en schoof op z'n buik naar hem toe.
Op een avond ging de herder door het bos. Hij haastte zich langs de kortste weg naar zijn schamele woning. Eensklaps hield hij zijn passen in en snel greep zijn hand de vlijmscherpe dolk. Strak staarden zijn ogen in de verte. Vóór hem op het pad stond een grote wolf! Geen enkele beweging van het dier ontsnapte aan zijn aandacht. Stap voor stap kwam hij dichterbij en gereed tot de strijd. Maar in plaats van aan te vallen of weg te vluchten, legde de wolf zich op de grond en schoof op z'n buik naar hem toe.
'Ik begrijp er niets van,' dacht de herder. Vast klemde zijn vuist het dodelijke wapen .. .
Bij hem gekomen bleef het beest liggen en likte zijn handen. Toen zag hij dat het de wolvin was die hij eens had gered. 'Zo zo, ben jij 't,' zei hij zacht. 'En ken je mij nog?' Hij liefkoosde haar met tere klopjes. Samen gingen ze verder.
'Was je mij nog niet vergeten? Ja, ja, je bent een best dier. Als je soortgenoten ook zo waren, zouden de schaapjes rustiger en blijer kunnen grazen. Versta je dat wel? Wil je mee naar m'n hut? Dat mag hoor. Wij zullen goede vrienden zijn, jij en ik! ... En heb je nu weer sterke poten? Doen ze nooit pijn meer? ... Kom maar, dan denken we nog eens aan die wondere Kerstnacht.'
Zo praatte en vroeg hij terwijl de wolvin naast hem liep met kwispelende staart en luisterende oren. In de hut gaf hij haar eten en drinken. Weer bleef zij een paar dagen bij hem. Daarna verdween ze, om nimmer terug te keren. Maar sedert dien waagde geen wolf het meer de schapen te roven. In wijde omtrek konden zij veilig weiden.
Bron:
“Naerdincklant” Prof. A.C.J. de Vranckrijker (1947)
“Gooise Legenden” Henk de Weerd (1960)
“Verhalen opgetekend uit de mond van Gerard Zieltjens” (1957 – 1967)
“Bewerking en hertaling”: Ad Bakker (2018)
“Illustraties”: Rob Numan (2025)
“Liedjes, tekst en muziek”: Ad Bakker (2023)
Rechten:
De liedjes behorend bij de serie "Historische verhalen, sagen en legenden" uit het Gooi’ zijn auteursrechtelijk beschermd. Het muziekbestand wordt in deze bijdrage uitsluitend beschikbaar gesteld ter beluistering. Downloaden, opslaan, delen, herpubliceren, bewerken of elders plaatsen is niet toegestaan zonder voorafgaande toestemming van de rechthebbende(n).
Het muziek label "Kwapoets" is onderdeel van de stichting ErfGoedGezien Nederland.
Luister naar het verhaal lied
De wolvin in de kerstnacht
00:00