Ga naar de inhoud

De witte wieven - ONF Groepen Overzicht 2026 versie 5.0

Menu overslaan
Menu overslaan
ONF Groepen NL
Groep Sagen
De witte wieven
(Spookgeschiedenis te Laren)
Heel lang geleden stond op een stil plekje, tussen een paar hoge bomen aan de zelfkant van het dorp, een klein en vervallen huis. De mensen fluisterden, dat het er spookte. Niemand durfde in 't huisje wonen. Zodra de avond begon te schemeren, repten de voeten zich weg. Wie zou 't wagen daar te toeven in de duisternis? Voor de eigenaar, een boer, was dit allerminst prettig. En zeker niet voordelig. Op een goede dag kreeg de boer een nieuwe knecht. ’t Was een stevige knaap, die op het land zijn mannetje stond. Ook bij de maaltijden bleef hij niet achter. Voor geen kleintje vervaard! Toen hij de verhalen over het spookhuis hoorde, lachte hij een beetje en zei: 'Ik wil daar wel 's enkele nachten waken om te zien wat er omgaat.

Maar onder één voorwaarde! Ik moet een flinke hoeveelheid beslag, eieren en boter meekrijgen. Als de boerin daarvoor wil zorgen, kan ik pannenkoeken bakken.'
 
'Pannenkoeken bakken?' verbaasde de boer zich. 'Heb ik van m'n leven!' riep de boerin. De knecht knipperde even met zijn ogen. 'Ja, pannenkoeken bakken,' antwoordde hij, terwijl z'n grove handen een strijkbeweging over de buik maakten. 'Dat is het geheim, mijn grootje zaliger zei altijd, dat spoken bang waren voor pannenkoeken, en 't goede mens heeft nooit gelogen.'

Die avond, toen de schemering aansloop, ging Krelis de knecht alleen naar de door allen geschuwde plek. In de ene hand droeg hij een grote hengselmand, zwaar van voortreffelijke dingen: een pot met beslag, enige eieren, een dikke klont boter, een homp spek, wat schijfjes appelen en een kan stroop. Zijn andere hand hield voorzichtig een gevulde koffieketel, waaraan een kroes bengelde.


Aangekomen in het eenzame en verwaarloosde huis, zette hij z'n vrachtje neer, maakte licht, schoof een beschimmelde stoel bij de ronde, wrakke tafel en mompelde: 'Tjonge, tjonge, wat is het hier stil en vuil. Maar geen nood, eerst ga ik een poosje slapen, want grootje zei altijd, dat de spoken tussen elf en één uur op de been zijn. Ik begin dus tegen elf uur te bakken.'

Hij ging aan de tafel zitten en vouwde de armen onder z'n hoofd. Weldra doezelde hij in.
Opeens werd Krelis wakker. 'Sakkerloot,' bromde hij, 'dat is me ook wat! Hoe lang zou ik gedut hebben? Ik dacht, dat ik iets hoorde.' Hij keek om zich heen, maar zag niemand. 'Komaan, jong,' vervolgde hij z'n alleenspraak, 'het zal wel langzamerhand tijd wezen. We gaan met bakken beginnen.' Hij stond op, geeuwde eens en dronk een slok koffie. Daarna stak hij de houtskolen aan in de sedert lang gedoofde haard. Spoedig was hij aan 't bakken of zijn leven ervan afhing.

Een uur verstreek.

De knecht bakte en bakte. Bij elke pannenkoek smakte zijn mond van verlangen. 'Nou’, mompelde hij soms, 'als het spook niet wat voortmaakt, is mijn beslag op.' Eindelijk was de pot leeg en de laatste pannenkoek klaar. 'Het schijnt dat ik vannacht alleen blijf,' lachte hij. 'En daar zit ik nou met een hele stapel! Vooruit, ik zal er een gat in slaan.' Hij at tot zijn buik vol en rond was. Daarna viel hij opnieuw in slaap.

Toen de heldhaftige waker de volgende morgen met 't kleine restant pannenkoeken thuiskwam en vrolijk vertelde, dat er die nacht niets was gebeurd, keek de boer nijdig. 'Jij bent me ook een kerel,' gromde hij. 'Gaf ik je daarvoor zoveel mee? Op deze manier zal je ons nog arm eten’. 'Wel baas’, meende Krelis, 'ik weet 't goed gemaakt. Je moest het komende nacht zelf eens proberen. Misschien bekomt 't je zuur’. Maar daarvoor was de boer niet te vinden.

Lachend in z'n vuistje ging de knecht 's avonds weer naar het spookhuis met een volgepakte mand. Krelis bakte dat het een lieve lust was. Toen hij zich voor de zoveelste maal omdraaide naar de schotel verse pannenkoeken, ging de deur voorzichtig open. Een oud en gerimpeld vrouwtje stapte naar binnen. Even schrok de jongen. 'Goedenacht,' groette hij dan, wat beverig. Het oudje zei niets. Geruisloos nam zij aan de tafel plaats. 'Ik vind het prettig bezoek te krijgen,' begon Krelis weer. 'Alleen is maar alleen. Welkom hier. Wil je een pannenkoek?'

Het vrouwtje knikte.

De knecht pakte zijn bord, waarop twee heerlijke baksels met stroop lagen, en schoof het haar toe. 'Hier, moedertje, ze smaken lekker.' Zij begon direct te smullen. Krelis voelde zich opgelucht en glimlachte. Wie zou ook zijn pannenkoeken niet lusten? Moest je dat menske zien eten. Toch wel leuk, zo’n bezoek omstreeks middernacht. 'Ze is wat vreemd,' dacht hij verder. 'Helemaal grijs en zulke lange, magere vingers! Waar zou dit schepsel vandaan komen? En hoe oud zou ze wezen? Op een spook lijkt ze niet veel.'

Toen zij het bord leeg had, vroeg hij: 'Wil je nog een paar? Er zijn genoeg.' Het oudje schudde ontkennend haar hoofd. Langzaam stond zij op en liep naar het raam. 'Wat gaan we nou beleven?' monkelde de jongen. De vrouw bukte zich en tilde een grote estrik uit de vloer. Even later haalde zij een grauwe zak omhoog. Uit die zak graaiden haar lange vingers handen vol goudgeld.

Liggend op haar knieën begon zij snel te tellen. Steeds maar bewogen haar lippen. Er scheen geen einde aan het goud te komen. Overal stonden de stapeltjes. Sprakeloos keek Krelis toe en vergat de pannenkoeken. Nog nooit had hij zoveel geld bij elkaar gezien. Wat bezielde dat vrouwtje eigenlijk? En hoe kon al het goud in die zak?

De knecht bewoog geen spier. Zijn ogen en mond stonden van verbazing wijd open. Slechts de zachte klank van de goudstukken verbrak de nachtelijke stilte. Toen deed de vreemde vrouw het geld weer in de zak. Bedachtzaam borg zij de grauwe vracht weg, en legde de estrik op z'n plaats. Het volgende ogenblik was ze verdwenen. Zonder 't minste gerucht.

Enige minuten bleef Krelis stokstijf staan. Daarna mompelde hij: 'Ik droom niet, waarachtig niet. Ik ben klaarwakker. Wel, hier en gunder, is me dat een meevaller! Wat zal de boer opkijken als ik straks met een zak goudgeld thuiskom. Waar zo'n nachtje al niet goed voor is’. Even dacht hij na: was het stelen, als hij 't geld meenam? Nee toch! Hij vond het immers in 't huis van de baas. Bovendien woonde de oude vrouw stellig elders. 'Wat komt het er eigenlijk ook op aan,' besloot hij.

'Morgenvroeg neem ik de zak mee. Morgen ben ik een rijk man! En nu eerst nog een paar uurtjes lekker pitten.' Hij ging aan de tafel zitten. Met z'n handen onder de kin, sliep hij weldra in. Over zijn bolle gezicht zweefde een glimlach.

Reeds scheen de zon toen Krelis ontwaakte. 'Dondertje!' vloekte hij. 'Ik moet opschieten.' Vlug stopte hij z'n spullen in de mand. Snel tilde hij de grote estrik uit de vloer. Grinnikend zocht hij met zijn eeltige hand in het gat. 'Wat is dat nou?' Het gat was leeg! Als verdwaasd bleef de knecht een tijdlang gehurkt zitten. Eindelijk gromde hij: 'Ik krijg het goud wel, ik moet het hebben. Morgen of een nacht later. En dat akelige, magere wijf, ik wil weten waar ze woont.'

Narrig gestemd, keerde hij naar de boerderij terug. De ganse dag stond zijn gezicht op onweer. Voor de derde maal toefde Krelis alleen in het spookhuis. En zie, terwijl hij aan het bakken was, werd de deur zachtjes geopend en verscheen opnieuw het oude vrouwtje. Weer nam zij plaats aan de tafel en at met smaak een paar pannenkoeken. Weer knielde zij neer bij het raam en haalde de grauwe zak tevoorschijn. Weer telde zij de vele, vele goudstukken. Geen woord werd gesproken. Tenslotte ging ze heen, snel en geruisloos.

Op dat ogenblik had Krelis gewacht! Ditmaal zou de vrouw hem niet ontsnappen. Zo stil mogelijk volgde hij haar naar buiten. De pannenkoeken waren vergeten! Het vrouwtje keek niet op of om. Vlugger en vlugger gingen haar voeten. De knecht verwonderde zich steeds meer. Kon een oude, magere vrouw zo hardlopen? Nauwelijks vermocht hij haar bij te houden. Soms scheen zij over de grond te zweven, en vaag zag hij haar kleine gestalte voortglijden.

Zwak schemerde reeds de komende morgen. Krelis hijgde naar adem. Kwam er dan geen einde aan deze tocht? Ineens zag hij, dat ze bij het kerkhof waren. Wat was het hier griezelig! 'Ik ga terug,' dacht hij. 'Wie weet, verdwijnt dat mens straks onder de een of andere zerk. Brr, ik heb er genoeg van. En ik wil nu eerst de schat in veiligheid brengen.' Hij wilde omkeren, maar kon niet. Zijn voeten bleven voortdraven, het vrouwtje achterna. En het kerkhof langs. Hij voelde hoe het klamme angstzweet hem uitbrak. 'Dat is geen gewóón spook,' zoemde het door zijn hoofd. 'Geen gewoon spook ..., wat dan wel?'

Voortging het, almaar voort. Zijn borst zwoegde, zijn hart bonsde, zijn keel scheen dichtgeknepen. Strak staarden zijn ogen. Wat werd de gestalte voor hem lang en wazig. Wat begon zij er schimmig uit te zien. Aan de rand van het bos gekomen, hield de vrouw stil. Dan zweefde zij langzaam omhoog boven een diepe kuil.

'Mijn God! , het witte wijf,' kreunde zijn mond. Meer nevelachtige gedaanten stegen op. Hij zag hun grote hoofden met de wilde, grijze haren. Hij zag de vale gezichten, waarin de spitse neuzen staken. Hij zag haar lange grijpvingers door de lucht kringelen. Zijn hart kromp van ontzetting samen.

'Je moet vluchten,' dacht hij. Maar zijn voeten weigerden elke dienst. Ze waren als vastgegroeid aan de aarde. Boven zich hoorde hij het schrille lachen en krijsen der wijven. Stolde nu het bloed in zijn aderen? Toen voelde hij plots, hoe de monsters zich op hem wierpen. Hoe ze hem sloegen en beten en krabden. En in zijn oren trompetten haar gescheurde stemmen: 'Hebzucht, hebzucht, hebzucht!'

Ergens kraaide een haan. Als bij toverslag waren de witte wijven verdwenen.

Met een van doodsangst verwrongen gelaat rende Krelis weg. Niet eenmaal keek hij om. Later op de dag vertelde hij hortend wat hem overkomen was. Van het goudgeld werd nooit iets gevonden!

De kuil is er nog. In het bos, even voorbij 't kerkhof. De mensen zeggen, dat daar vroeger soms recht werd gesproken. Doch de boeren gaan er niet zonder huivering aan voorbij. Zij denken aan de witte wijven, die eens Krelis de knecht aanvielen, zodat hem voor altijd de schrik in de botten zat.

"Een ‘estrik’ is een plavuis of gebakken tegel".

Rechten:
De liedjes behorend bij de serie "Historische verhalen, sagen en legenden" uit het Gooi’ zijn auteursrechtelijk beschermd. Het muziekbestand wordt in deze bijdrage uitsluitend beschikbaar gesteld ter beluistering. Downloaden, opslaan, delen, herpubliceren, bewerken of elders plaatsen is niet toegestaan zonder voorafgaande toestemming van de rechthebbende(n).
Het muziek label "Kwapoets" is onderdeel van de stichting ErfGoedGezien Nederland.

Bron:
“Naerdincklant” Prof. A.C.J. de Vranckrijker (1947)
“Gooise Legenden” Henk de Weerd (1960)
“Verhalen opgetekend uit de mond van Gerard Zieltjens” (1957 – 1967)
“Bewerking en hertaling”: Ad Bakker (2018)
“Illustraties”: Rob Numan (2025)
“Liedjes, tekst en muziek”: Ad Bakker (2023)
Luister naar het verhaal lied
De Witte Wieven
00:00

(c) 2020 - 2026 Stichting ErfGoedGezien Nederland
Werkgroep ONF (In Oude & Nieuwe Foto's)  
info@onfgroepen.nl
Terug naar de inhoud