Groep Sagen
De verdwenen boerendochter.
(Tafelberg Blaricum)Heel vroeger leefde in Blaricum een rijke boer. Hij heette Klaas Roelfs. Nadat zijn vrouw gestorven was, had z’n enige dochter, een schoon en levenslustig meisje, de plaats van haar moeder op het grote bedrijf ingenomen, zo goed zij kon.
Zij ging over de kasten en kisten. Zij bestuurde de huishouding. Zij hield toezicht over de meiden. Zij verzorgde de kippen en de bijen, de honden en de katten. Niets ontging haar altijd waakzaam oog. Van de morgen tot de avond was zij bezig. Klaas Roelfs wist zich gelukkig met dit kind. Op alle manieren gaf hij haar blijk van zijn liefde. Voor Machteld was niets te mooi of te goed.
Er was feest in Hilversum.
De meiden en knechten kregen vrijaf om pret te maken. Van alle kanten stroomden de jonge Gooilanders samen. Hun vrolijkheid vervulde de zomerse lucht. Ook Machteld ging.
Wie zou haar niet kennen, de schone dochter van de rijke boer? En welke boerenzoon begeerde haar niet tot vrouw? 0ch, vrijers genoeg! Maar geen hunner gaf zij een kans. Met een jolige slag wees ze de verliefde jongkerels terug.
Toen ontmoette zij Sjoerd, de zeeman. Zijn stoere gestalte trok haar aan. Breed was zijn borst en gebruind zijn gelaat. Zijn eerlijke open ogen lachten haar toe. En hij vroeg: 'Moet de schoonste van allen alléén blijven? Laat mij je geleider zijn ... wil je?' Even aarzelde het meisje. Dan knikte zij instemmend. Naast hem ging ze voort over het feest. Zij aten en dronken samen. Zij dansten en gekten met elkaar. De vele jaloerse blikken interesseerden hen niet.
Toen het avond werd, bracht hij haar naar huis. Zijn prettige stem vertelde dat hij herkomstig was uit Friesland, en dat hij al jaren over de wijde zeeën voer. En in tal van vreemde landen stonden zijn voetstappen. Och ja, hij had veel vrouwen ontmoet, verschillend van kleur. Dat kon nu eenmaal niet anders. Maar niet één was zo lief en zo schoon als zij, Machteld. Zou ze van hem willen houden? Wilde ze wel met hem trouwen? Voor háár wilde hij doen wat zij wenste. Zo sprak de zeeman.
'Wil je op mij wachten, Machteld. Een jaar lang? Dan kom ik terug en zal altijd bij je blijven.'
Een wondere wereld ging voor haar open. Lange tijd stonden ze stil, zonder woorden. Zijn arm om haar heen, haar hoofd tegen zijn borst. En zacht fluisterde zij: 'Ja, Sjoerd, ja ik zal op je wachten.'
Machteld vertelde haar vader alles. Waarom zou zij zwijgen en geheimzinnig doen? Hij vond immers steeds goed wat zij wilde! Doch nu liep 't anders. Klaas Roelfs was woedend.
'Wat?' brulde hij. 'Jij trouwen met zo'n verlopen snuiter? Jij, een dochter van de Holtmarke! * Wil jij ons fiere bloed mengen met dat van vreemden? Zijn er geen boerenzoons in de Mark?'
Hij stikte bijna van toorn. Briesend keek hij z'n dochter aan en bezwoer dat die schande niet over zijn huis zou komen. Wanneer de vlegel kwam, zou hij, Klaas Roelfs de honden z'n erf laten schoonjagen!
Snikkend ging het meisje naar haar kamer. Was dat haar vader? Nooit nog had hij zo tot haar gesproken. En wat wist hij van Sjoerd? Immers niets! Smart en boosheid streden in haar ziel om de voorrang. 'Toch zal ik op hem wachten’, murmelden haar lippen. Het leven ging z'n gang. Maar over de zeeman werd niet meer gesproken. Stil zocht Machteld haar weg. Verdrietig deed zij haar werk. Steeds waren haar gedachten bij hem, die ze liefhad. Hoe telde zij de dagen die haar nog scheidden van het weerzien!
Eindelijk was het lange jaar om. Nu zou hij komen! Elke nacht, terwijl alles sliep, sloop het meisje naar de heuvel, van welks top zij de seinen kon zien, die Sjoerd van z'n schip zou geven, wanneer hij kwam. Zó was de afspraak geweest. Op deze hoogte verzamelden zich doorgaans de jagers. Daar rustten zij uit en lieten hun blik gaan over het land rondom. Daar aten en dronken zij aan een grote, stenen tafel. Daar, op de Tafelberg. Meer dan eens had Machteld hen gezien. Meermalen ook had zij de mannen spijs en drank gebracht.
Thans beklom ze telkenmale alleen de heuvel, die spookachtig oprees in het duister van de nacht. Leunend tegen de onwrikbare steenklomp, keek zij met starende ogen in de richting van de zee, die ginds ergens ruiste. Wat deerde haar koude of regen of wind? Wat zou haar het leven nog zijn zonder Sjoerd? Maar, haar turen en verlangen waren vruchteloos. Triest en huiverend gingen de nachten voorbij. De geliefde zeeman kwam niet.
Zo werd het winter.
Klaas Roelfs zag wel, hoe slecht zijn dochter er begon uit te zien. Hoe vermoeid en slepend haar tred werd. Hoe weinig 't heerlijkste voedsel haar smaakte. Doch van haar geheime tochten wist hij niets. Eén der knechten evenwel zag haar eens gaan. En hij vertelde z'n baas fluisterend, hoe Machteld 's nachts als een geest de deur uitglipte en alleen naar de berg ging. Toen vlamde in hem weer de woede omhoog. Wat moest zij daar doen? Wat bezielde dat kind? Wie ontmoette zij er? Zijn vragen ontvingen geen antwoord. Ten einde raad besloot hij haar te volgen.
Guur en donker was de Midwinter-nacht.
Guur en donker was de Midwinter-nacht.
Vermoeid strompelde Machteld voort naar de heuvel.
Achter haar aan sloop Klaas Roelfs. Ongezien beklom ook hij de berg en keek de duisternis in. Zijn hoofd zat vol van grimmige gedachten. Hoelang moest het geheim nog verborgen blijven?
Plotseling slaakte het meisje een blijde kreet. 'Daar…daar…. Hij komt…. Sjoerd.'
In de verte zwaaide een klein licht heen en weer. Dol van vreugde rende Machteld de heuvel af. De boer stond verbijsterd. Waar ging z'n dochter heen? Hij repte haar na, de heide over. Zij voelde geen moeheid meer. Haar voeten schenen de grond nauwelijks te raken. Voortging het, voort in de richting van de zee.
Dit tempo was te snel voor Klaas Roelfs. Steeds groter werd de afstand. Eindelijk kwam Machteld bij het water. Een stevige boot lag reeds te wachten. Twee mannen stonden er in, reuzen gelijk. Zij hielden lantaarns in hun handen. De éne droeg een lange baard. En had de andere slechts één oog?
Hoe vreemd was dit alles!
Hijgend bleef het meisje staan. 'Machteld…. kom vlug!' klonk een vriendelijke stem. Zij huiverde. Neen, dat was niet de stem van haar Sjoerd. Die stem scheen van héél ver en héél hoog te komen.
Hijgend bleef het meisje staan. 'Machteld…. kom vlug!' klonk een vriendelijke stem. Zij huiverde. Neen, dat was niet de stem van haar Sjoerd. Die stem scheen van héél ver en héél hoog te komen.
'Machteld, kom nu! Sjoerd zendt ons om jou te halen. Hij wacht op je. Wil je hem verdriet doen?'
Bevend trad zij nader, als in een wondere droom. Dan stond een der mannen bij haar en sprak: 'Wees niet bang, schone Machteld. Je hebt veel geleden en veel gehoopt. Nu brengen wij je naar Sjoerd in het licht. Altijd zal je gelukkig zijn.' 'Ja…. altijd gelukkig zijn,' fluisterde ze hees.
Toen droeg de goede vreemdeling haar in de boot. Snel en zonder gedruis voeren zij weg. Klaas Roelfs kwam te laat. Hij zag de boot in een gordel van stralend licht. Ze scheen te zweven over het water. Hij zag de beide kloeke mannen en zijn afgetobde dochter. Zij waren omgeven door een bovenaardse glans. Hij wilde schreeuwen en 'Machteld! Machteld!' roepen, doch er kwam slechts een onverstaanbaar gekreun uit z'n mond.
Als aan de grond genageld stond hij daar.
Kleiner en kleiner werd het zwevende vaartuig. De uren verstreken. Sedert lang was de lichtglans verdwenen. Eindelijk spoelde het koude water Klaas Roelfs om de voeten.
Kleiner en kleiner werd het zwevende vaartuig. De uren verstreken. Sedert lang was de lichtglans verdwenen. Eindelijk spoelde het koude water Klaas Roelfs om de voeten.
Eerst toen keerde hij huiswaarts. Waggelend, gelijk een dronken man. Uit het leven van de rijke boer was alle vreugde gedoofd, sinds de wonderbare verdwijning van zijn dochter. Somber en in zichzelf gekeerd sleet hij de dagen. Met de dorpelingen bemoeide hij zich niet meer. Z'n mooie bedrijf werd verwaarloosd.
Slechts nog één verlangen kende hij: reizigers te ontmoeten die van heel ver kwamen. Misschien konden zij iets vertellen over Machteld en Sjoerd.
Daarom verkocht hij de boerderij. Daarom bouwde hij een herberg, dicht bij de heuvel. Maar nauwelijks was het nieuwe huis klaar, of het werd in een felle onweersnacht door de bliksem verwoest. Niets bleef ervan over. De volgende dag misten de mensen Klaas Roelfs. Vruchteloos zocht men hem. Hij was en bleef spoorloos! En niemand zag ooit Machteld weer.
De tijden zeggen:
Rondom de Tafelberg is het altijd gevaarlijke grond gebleven. Grond, waar eigenlijk niets goeds gedijen wil. Men houde er rekening mee.
Rondom de Tafelberg is het altijd gevaarlijke grond gebleven. Grond, waar eigenlijk niets goeds gedijen wil. Men houde er rekening mee.
Bron:
“Naerdincklant” Prof. A.C.J. de Vranckrijker (1947)
“Gooise Legenden” Henk de Weerd (1960)
“Verhalen opgetekend uit de mond van Gerard Zieltjens” (1957 – 1967)
“Bewerking en hertaling”: Ad Bakker (2018)
“Illustraties”: Rob Numan (2025)
“Liedjes, tekst en muziek”: Ad Bakker (2023)
Rechten:
De liedjes behorend bij de serie "Historische verhalen, sagen en legenden" uit het Gooi’ zijn auteursrechtelijk beschermd. Het muziekbestand wordt in deze bijdrage uitsluitend beschikbaar gesteld ter beluistering. Downloaden, opslaan, delen, herpubliceren, bewerken of elders plaatsen is niet toegestaan zonder voorafgaande toestemming van de rechthebbende(n).
Het muziek label "Kwapoets" is onderdeel van de stichting ErfGoedGezien Nederland.
Luister naar het verhaal lied
De verdwenen boerendochter
00:00