Groep Sagen
De straf van de éénogige
(Huizen)
De herberg even buiten het dorp stond in een goede reuk. De langstrekkende vreemdelingen vonden er een prettig verblijf en de oudere dorpelingen kwamen er graag praten en drinken. Altijd waren er gasten. Zo werd de waard weldra een rijk man. Jammer, want naar de mate zijner welvaart groeide zijn zelfzucht en liefdeloosheid. Steeds wilde hij méér bezitten en tenslotte konden alleen zij, die hun geld lieten rollen, bij hem terecht. Nimmer gaf hij de bedelaars een geldstuk - nimmer ook een warme dronk aan stakkers, die van kou bevangen binnen strompelden.
Wat zou hij nog geven om anderen?
Toen zijn moeder gestorven was, kwam de oude vader bij hem inwonen. De hulpbehoevende grijsaard kreeg een klein kamertje toegewezen - een akelig klein kamertje, zonder enige warmte en huiselijkheid. Hij mocht aan tafel mee aanzitten, maar moest wachten tot zijn norse zoon en diens vrouw, de meiden en de knechten hun deel hadden genomen. Wat er dan overschoot, was voor hem. Vaak ontving hij een snauw, wanneer hij met bevende stem iets vroeg of opmerkte. Zover kwam het, dat de oude helemaal zweeg en stillekes z'n brokje genadebrood at.
Verdrietig gestemd, wandelde hij veel buiten, geleund op zijn stok. In de herberg liep hij toch maar anderen voor de voeten. Soms bleef hij bij bejaarde vrienden wat praten, doch weinig sprak hij over eigen leed. Oh ja, er waren velen die hem wel gaarne in hun huis wilden opnemen. Zij vonden het een schande, dat de grijze man zo geplaagd werd en onheus bejegend. Ook waren er, die geld voor hem wilden inzamelen, opdat hij de kost bij z'n vrekkerige zoon betalen kon.
Maar hij wilde van het een noch van het ander horen. “Neen, beste vrienden”, zei hij dan hoofdschuddend. “Neen, ik mag en wil niet uit jullie kast eten, hoe dankbaar ik jullie ook ben. En als ik de liefde van mijn zoon moet kopen, ziet ge, dan ... dan ontvang ik die liefde maar niet, al valt het ook zwaar”. Zo bleef de oude vader in het huis van z'n ondankbaar kind, waar hij eigenlijk te veel en tot last was.
Het was weer Midwinter geworden. De sneeuw lag hoog en het vroor fel. 's Nachts flonkerden duizenden sterren aan het strakke firmament. In de herberg was het behaaglijk warm. Het rumoerde er van gasten en de waard had 't druk. De gebogen vader was de stekende blik van zijn zoon ontvlucht. Bij zoveel bezoek had hij geen plaats aan de haard. Voor hem bleef slechts z'n kleine en koude kamer, of de landweg buiten, nu zonder vertier.
Huiverig in de kraag van zijn half-versleten jas gedoken, liep hij moeizaam voort. Soms gleed een traan uit zijn verdrietige ogen en murmelden z'n dorre lippen enkele onverstaanbare woorden. Tegen de avond keerde hij verkleumd en hongerig naar de herberg terug. Hij hoorde hoe vrolijk het toeging bij het knappende houtvuur. Nauwelijks strompelde hij binnen, of de waard snauwde: “Zo, ben je daar al weer, oude doodeter!” Nijdig keek de man z'n vader aan, die bedremmeld in een hoekje ging zitten.
“Stil toch, baas”, waarschuwde een der aanwezigen. “Stil toch, bezondig je ziel niet. Hij is nog altijd je vader”. Het geroes der stemmen hield plotseling op. De herbergier deed een stap naar voren. Een vlammend rood laaide over zijn gelaat, en z'n stem trilde van woede, toen hij schreeuwde: “Vader, ga weg! Zie maar, dat je ergens anders eten en onderdak krijgt”. Zijn dreigende vinger wees naar de deur.
Zander een woord te spreken, stond de vermoeide grijsaard op. Even keek hij zijn ontaarde zoon aan, even maar. Dan trad hij onder doodse stilte naar buiten, het hoofd diep gebogen door schaamte en smart. Waar moest hij heengaan?
Natuurlijk, er waren goede mensen genoeg, die hem wilden huisvesten voor deze nacht, voor volgende nachten, zolang hij nog zou leven. Maar hij kon geen beroep op hun barmhartigheid doen, omdat hij niet vertellen wilde hoe ver reeds de hardheid van zijn rijke zoon gekomen was. Liever zou hij sterven in de sneeuw.
Bitter schreiend, dwaalde hij naar de wijde, eenzame heide. Hij wilde niet het risico lopen, dat iemand hem zag. Alleen moest hij zijn, alleen met z'n grote verdriet. Als in een droom ging de oude voort. Hij voelde geen koude meer. Hij wist niet hoe zijn stramme benen beefden.
Wat glinsterde daar toch in de verte? Verbaasd stond de grijsaard stil en staarde over de sneeuw. Wonderlijk, de glinstering werd groter en groter. Zij naderde snel, zij naderde hem! Twee ruiters kwamen aandraven. Om hen was een vreemde flikkering van licht. Hun vurige paarden schenen wel te vliegen. De oude man huiverde. Angst kropte omhoog in zijn borst. Wie had zulk een gebeuren eerder gezien? Dat konden geen gewone mensen zijn. Groot en fier waren de ruiters. Ongekend sierlijk en rijk was hun dracht.
De éne had slechts één oog. Dat oog straalde als de zon. De andere ruiter droeg een donkerrode baard. * De vermoeide grijsaard kromp ineen en boog zijn hoofd. Nauwelijks konden de bevende benen hem overeind houden. Snuivend en briesend stonden thans de paarden stil.
“Goedenavond, oude vader”, sprak de éénoog vriendelijk. “Kun je ons ook zeggen, waar een goede herberg is te vinden?” De aangesprokene waagde het op te zien. Ze zijn zeker van koninklijken bloede, dacht hij. “Zeker, heer ... zeker”, haperde zijn stem. “Dichtbij is de herberg van mijn zoon. Hij zal u graag ontvangen”. “Is het daar werkelijk goed?” informeerde de ander nadrukkelijk. “Jij ziet er tamelijk sjofel en hongerig uit”. “Ja, heer, het is daar best!” “Welaan! Kom bij me op 't paard en wijs ons de weg”. Voordat de oude wist wat er gebeurde, had de éénoog hem opgetild en draafden zij voort over de sneeuw bedekte velden. Duizelingwekkend was hun vaart.
De waard boog tot de grond, toen hij zag hoe rijk de twee gasten waren, die binnentraden. Een en al onderdanigheid, groette hij: “Welkom, edele heren! Welkom in mijn nederig huis”. Glimlachend geleidde hij hen naar een bank bij het vuur. “In orde baas”, sprak de éénoog, terwijl hij de aanwezigen toeknikte. “Stal eerst onze paarden en verzorg ze. Daarna zullen wij zien wat je ons kunt voorzetten”. Nu herkende de herbergier zijn vader, die ook binnengekomen was. Zijn gelaat verdonkerde. En stroef klonk z'n stem: “Toe, oude, ga jij naar de schuur. In de zaal heb je niets te maken. Haast je wat!” Diepe stilte heerste na deze woorden. Schuw sloop de grijsaard naar de deur.
Over het gezicht van de nieuwe gasten kwam een gramstorige trek. “Wacht even”, beval de éénoog. “Oude man, wacht even!” Zich daarop tot de waard wendend, vervolgde hij: “Ik meende, dat die gebogen en verkleumde mens je vader was”. “Ja, heer ... zeker”, antwoordde de aangesprokene bedremmeld, terwijl hij andermaal boog. Hij voelde intuïtief, dat de vreemdelingen méér en machtiger waren dan wie ook.
“Sedert wanneer behandelen de Naerdincklanders hun ouders zo?”, klonk de zware stem van de éénoog weer. Die stem wilde gehoorzaamd worden. Niemand zou aan haar gezag kunnen ontkomen. Ook de trotse waard niet. “Och, heer ... ziet ge ... ik ...”. “Zwijg!” bulderde de ander, terwijl hij ging staan. Het scheen, alsof zijn oog vonken spetterde. De herbergier sidderde.
“Edele heer, ik zweer u ... ik zweer u bij m’n ziel” hakkelde hij. “Als ik mijn vader slecht behandeld heb, zal ik nog deze nacht sterven.” Even was het stil. Toen sprak de éénogige, kalmer nu: “Het zij zo”. En zich tot zijn gezel, de roodbaard, kerend: “Gij hebt de eed gehoord?”
“Ik heb de eed gehoord”, bevestigde deze. Bij de deur stond nog steeds de oude vader. Dodelijke bleekheid trok over zijn gerimpeld gelaat. Zijn tandeloze mond trilde. “Breng je vader tot ons”, beval de éénoog. “Spijs en drank schikt ge toe voor drie!”, bestelde de roodbaard. Aldus geschiedde. Toen de hoge gasten gemaaltijd hadden, lieten zij hun paarden weer voorbrengen en reden heen. Die avond bleef het stil in de herberg. Na hetgeen men gehoord en gezien had, voelde niemand meer lust tot praten. Nog minder tot lachen. Vreemd te moede gingen de stamgasten naar huis.
Diezelfde nacht.
Door gesloten deuren gingen twee mannen, koninklijk van gestalte. Het waren Éénoog en Roodbaard! Zonder gedruis traden zij tot voor de bedstee, waarin de herbergier en z'n vrouw sliepen. Een wijle stonden zij, als in gedachten verzonken.
Toen sprak de éénogige: “Waard, wij komen uw eed lossen!” Zwaar en nadrukkelijk klonk zijn stem. De man in de bedstee keerde zich om en kreunde. De vrouw zuchtte. Vier wezens verlieten de woning. Des morgens vond men de zelfzuchtige herbergier en zijn harteloze vrouw dood in bed. Niemand weende, behalve de oude, gebogen vader.
Vriendelijke mensen namen hem op onder hun dak. Zo werd hij getroost. Enkele dagen later zagen de verschrikte dorpelingen hoe de herberg in vlammen opging. Niemand durfde te naderen, omdat twee vreemde, breedgeschouderde mannen de toegang tot het fel brandende gebouw versperden. Sierlijk en voornaam waren hun mantels. De ene droeg een donkerrode baard. De andere had slechts één oog, dat gloeide als vuur.
Toen alleen nog een trieste puinhoop herinnerde aan de vroegere herberg, waren de grote, koninklijke gestalten als bij toverslag verdwenen. Nimmermeer vergat men deze opdracht: Eert uw ouders óók als zij arm en eenvoudig zijn en gijzelve tot rijkdom en voornaamheid opwast!
* Waarschijnlijk is met de éénogige de Germaanse oppergod
Wodan (Odin) bedoeld, die op zijn ros Sleipnir (de stormwind) rijdt. De andere is
dan z'n zoon Braga.
Bron:
“Naerdincklant” Prof. A.C.J. de Vranckrijker (1947)
“Gooise Legenden” Henk de Weerd (1960)
“Verhalen opgetekend uit de mond van Gerard Zieltjens” (1957 – 1967)
“Bewerking en hertaling”: Ad Bakker (2018)
“Illustraties”: Rob Numan (2025)
“Liedjes, tekst en muziek”: Ad Bakker (2023)
Rechten:
De liedjes behorend bij de serie "Historische verhalen, sagen en legenden" uit het Gooi’ zijn auteursrechtelijk beschermd. Het muziekbestand wordt in deze bijdrage uitsluitend beschikbaar gesteld ter beluistering. Downloaden, opslaan, delen, herpubliceren, bewerken of elders plaatsen is niet toegestaan zonder voorafgaande toestemming van de rechthebbende(n).
Het muziek label "Kwapoets" is onderdeel van de stichting ErfGoedGezien Nederland.
Luister naar het verhaal lied
De straf van de éénogige
00:00