Groep Sagen
De smokkelaars en de Duivel
(Hilversum)
Het was Oudejaar. Hoog lag de sneeuw op de velden en wegen. Onbewogen stonden de bomen van het grote Gooiersbos. Diepe stilte heerste in de schijnbaar gestorven natuur. Snel daalde de winternacht. Bijna geruisloos volgden twee mannen het grillige, eenzame pad, dat zich dwars door het woud kronkelde. Hier reden nooit karren of karossen langs. Hier liepen alleen de smokkelaars, die heimelijk de jenever brachten van 't Sticht naar Hilversum en Naarden - of anderen, wier werk het daglicht niet kon verdragen. Eenmaal hier, waren zij veilig voor de greep der wet. De mensen noemden het wegje daarom 'Jeneverpad'.
Gedoken in de kraag van hun jassen gingen de mannen voort. Zij hadden hun slag geslagen. Nu brachten ze de vracht, verborgen in hun zakken, naar Hilversum. Niet alleen waren zij smokkelaars - o neen! Ze waren veel erger nog. Dat vertelden hun schuwe, loerende ogen. Dat verraadde hun lichte, sluipende tred. Zij waren ook moordenaars.
Achter hen aan sloop een gedaante. Eveneens een man, lang en mager. De smokkelaars merkten hem niet op. 'Dit is precies een avond waarop de duivel rondgaat,' zei de ene. 'Tenminste, als je de mensen geloven wilt.' 'Stil toch,' bromde de ander. 'Hij mocht ons eens horen.' 'En wat zou dat dan nog?' 'Dat zou ongeluk brengen ... Jij mag wezen wat je wilt, maar met de duivel valt niet te spotten!'
De ander lachte. 'Je merkt anders nooit iets van hem,' antwoordde hij. 'Let maar eens op hoe vaak je iemand naar de duivel wenst en wat gebeurt er? Niets! Nooit wordt-ie gehaald ... Nóóit!'
'Toch is de duivel gevaarlijk,' hield z'n makker vol. Even keek hij schuw om zich heen. Zij zwegen en verhaastten hun schreden. En achter hen ging onopgemerkt de derde man. De smokkelaars konden tevreden zijn. In de herberg hadden zij hun heimelijke waar goed verhandeld. Hun zakken borgen de zilver-winst. En hun ingewanden knorden niet.
Nu gingen zij de weg terug. Weer pratend over de duivel. Ook thans liep achter hen de derde man, en langzaam schoof hij tenslotte tussen de beide anderen in. 'Goedenavond!' klonk zijn vriendelijke groet. Een vloek van schrik ontsnapte hun monden. 'Jullie schijnen nogal angstig,' grinnikte de vreemdeling. 'Maar wees gerust ... ik ben de schout niet of een van diens rakkers.'
'We hoorden of zagen je niet,' bromden de mannen.
'Dat is waarachtig geen wonder met deze sneeuw,' was het antwoord. 'En zeker niet als je zo druk aan 't praten bent. Dan heb je nergens anders ogen en oren voor. Waar had je 't over?' De smokkelaars namen het heerschap eens van terzijde op. Wat was dat voor een snuiter? Maar zij ontdekten niets bijzonders. 'Vertrouw je mij niet al te best?' lachte de nieuweling. 'Jullie goed recht, hoor. 't Was louter belangstelling.' 'We hadden het over de duivel,' zei de een. 'Ik en m'n maat verschillen wat van mening,' verklaarde de ander. 'Tja, zo gaat 't nu eenmaal,' meende de lange man. 'De mensen denken niet allen gelijk.
Zozo, hadden jullie het over de duivel! Dat is interessant, dunkt me.'
Samen gingen ze verder, weldra gewikkeld in levendig gesprek. Tenslotte zei de derde: 'Als je iemand maar echt naar de duivel wenst, laat hij niet lang op zich wachten!' De mannen lachten hard. Zó gek hadden zij het nog nooit gehoord. 'Ik heb gezegd wat ik weet,' hernam de vreemdeling bits. 'Het heeft geen zin verder over de duivel te praten.' 'Wat wil je dan?' vroegen de anderen, wat onthutst. 'Wedden!' klonk het kort. En de mannen wedden en wedden. Zij wedden om het geld in hun zakken. Om hun gezondheid en om hun leven. Zij wedden eindelijk om hun ziel. Nu liepen ze door het laatste deel van het dorp. In een der huizen schreeuwde een kind. En de moeder riep: 'Akelig jong! Is me dat een geblèr op oudejaarsavond ... Ik wou dat de duivel je haalde!'
'Dat is niet echt gemeend,' zei de magere man. 'Hmmm, jammer,' vonden de smokkelaars. Een eindje verder jankte een hond. En de baas van het dier nijdaste: 'Lammeling! Als je niet ophoudt, trap ik je de poten kapot. Ik wou dat de duivel je haalde!'
'Ook dit is niet gemeend,' verklaarde de derde. 'Jammer,' mompelden de mannen weer. Een poosje zwegen ze. 'Welke weg nemen jullie?' vroeg de vreemdeling. 'Het Jeneverpad.' 'Prachtig! Dat pad wilde ik ook.' 'Ga je er vaker langs?' informeerden de beide anderen.
Steeds meer vroegen zij zich af wie het heerschap mocht zijn. 'En of! Vanavond nog wandelde ik daar.' Toen zij even voorbij de laatste woning waren en de donkere bosweg in wilden slaan, ging de deur van het huis open. Een vrouwenstem zei: 'Kijk 's, man ... een paar smokkelaars.'
'Smokkelaars?' ... klonk het luide antwoord. 'Als ik goed zie, zijn dat moordenaars. Tenminste die éne! Ik wou dat de duivel hem haalde ... ja, dat wou ik!' De deur ging dicht. 'Dat was echt gemeend,' zei de lange man. Vreemd lachend bleef hij staan. Zijn vinger wees dreigend naar de ene gezel. 'Eindelijk heb ik je!' 'Mij?' De smokkelaar schrok. 'Ja, jou!' 'Ik weet niet wie ben je?'
'De duivel, mijn vriend!' antwoordde de derde. Meteen pakte hij z'n prooi beet met ijzeren greep. En verdween tussen de donkere stammen. In een ommezien was alles gebeurd. Door de duisternis klonken verschrikkelijke kreten. Ergens werd een mens gepijnigd! Zó vreselijk was het gekerm, dat de bomen sidderden. De andere smokkelaar scheen vastgevroren aan de grond. Zijn tanden klapperden. Z'n hele lichaam zweette van angst. 'De duivel zelf,' mompelde hij toonloos. Lang stond hij op dezelfde plek. Toen rende hij weg. En bracht 't ontstellende nieuws in het dorp.
Vele jaren later werd het bos gekapt. Maar het Jeneverpad bleef en behield zijn naam. Wie erlangs gaat, huivert even. Doch er is meer. De laatste bomen, die geveld werden, waren zwaar en sterk. Zij werden als balken gebruikt in het stadhuis te Naarden.
Eertijds stonden zij dicht bij de plek, waar de smokkelaar verdween. In hun harten bewaarden ze immer diens schrille gekrijs.
Wie in het oude raadhuis komt, kan soms nog de balken horen kreunen, als wilden zij het gruwelijke geheim van lang geleden verklappen.
"Dit verhaal speelt zich af aan het Geneverpad (Jeneverpad) was een beruchte smokkelaarsroute vanuit Holland naar Utrecht. De belastingen op drank was in Holland vele malen lager dat in Utrecht, vooral het Hollandse bier was van hoger promillage en zou dus in Utrecht bijna onbetaalbaar zijn. Het Geneverpad liep vanaf het Hilversumse Wasmeer tot aan de grens van Maartensdijk, de grens liep toen ook al bij Hollandse Rading (Graaf Florisweg) en als de smokkelaars Maartensdijk hadden bereikt, dan waren ze veilig.
Even voor de oriëntatie, het Geneverpad liep dus tussen de spoorlijn en de huidige Utrechtseweg en na Hollandse Rading tussen de Tolakkerweg en de spoorlijn. Dwars door het toenmalige Gooiersbos (Gooische Bos). De route splitste zich in Maartensdijk in twee richtingen; de eerste richting Utrecht Stad via Groenekan en Fort Blauwkapel; de tweede via de Dorpsweg richting Den Dolder en daarna richting Amersfoort.
In het voorjaar van 2018 organiseerde de "ONF groep Hilversum" een fietstocht langs deze oude smokkelroutes."
Rechten:
De liedjes behorend bij de serie "Historische verhalen, sagen en legenden" uit het Gooi’ zijn auteursrechtelijk beschermd. Het muziekbestand wordt in deze bijdrage uitsluitend beschikbaar gesteld ter beluistering. Downloaden, opslaan, delen, herpubliceren, bewerken of elders plaatsen is niet toegestaan zonder voorafgaande toestemming van de rechthebbende(n).
Het muziek label "Kwapoets" is onderdeel van de stichting ErfGoedGezien Nederland.
Bron:
“Naerdincklant” Prof. A.C.J. de Vranckrijker (1947)
“Gooise Legenden” Henk de Weerd (1960)
“Verhalen opgetekend uit de mond van Gerard Zieltjens” (1957 – 1967)
“Bewerking en hertaling”: Ad Bakker (2018)
“Illustraties”: Rob Numan (2025)
“Liedjes, tekst en muziek”: Ad Bakker (2023)
“Gooise Legenden” Henk de Weerd (1960)
“Verhalen opgetekend uit de mond van Gerard Zieltjens” (1957 – 1967)
“Bewerking en hertaling”: Ad Bakker (2018)
“Illustraties”: Rob Numan (2025)
“Liedjes, tekst en muziek”: Ad Bakker (2023)
Luister naar het verhaal lied
De smokkelaars en de Duivel
00:00