Groep Sagen
De eerste kerk
(Het Sint-Janskerkhof te Laren NH)
TOEN zich in het hart van Nardincklant een groot en ondoordringbaar bos verhief, wandelden eens drie meisjes heuvel op, heuvel af. Het was een dag van zonneschijn en vrolijkheid. Over de wijde ruigte twinkelde het stralende licht. Alom was de lucht vervuld van insecten-gezoem en honinggeur. Kleurige vlinders wiekten dartel van de ene bloem naar de andere. Vlugge hagedissen ritselden weg tussen bladeren en mos. Hoog tegen het blauw van de hemel vlerkten juichende leeuweriken, en uit elke struik klonk vogelgezang. Warmer en warmer werd het. Dorst begon te kwellen. Steeds trager werd het schertsende gebabbel der zusters. 'Laten we naar het bos gaan,' zeiden ze tot elkaar. 'Daar is heerlijke schaduw, en aan de zoom groeien voldoende vruchten om onze dorst te lessen. Als wij daar gerust hebben, gaan we naar huis terug.'
Zo gezegd, zo gedaan. Zij verkwikten zich aan de vele bramen en aardbeien, die er in menigte groeiden, en vlijden zich toen argeloos neer op de zachte grond. Niet lang duurde het of de zingende vogels, de zoemende bijen en het monotone ruisen der hoge, dichte kruinen hadden haar in slaap gezongen.
Zo werd het avond. Wie zou deze drie schone, onschuldige natuurkinderen storen? Eensklaps ontwaakten zij verschrikt. Twee woeste rovers waren ongemerkt genaderd. Om hun monden krulde een grijnslach en in hun verdorven zielen was wreedheid. Hun loerende blikken voorspelden de maagden niet veel goeds. Huiverend van angst sprongen ze op, maar de sterke handen der mannen grepen haar vast en beukten haar neer.
In doodsnood gilden de meisjes om hulp. Vertwijfeld smeekten zij om genade. Alles vruchteloos! Weldra waren heur harten voor altijd tot rust gekomen. 'Zij hebben niets van waarde bij zich,' gromde de ene booswicht, nadat hij de weinige kleding doorzocht had, op zoek naar buit. 'Wij hadden ditmaal misschien beter gedaan door naar het gekerm te luisteren en wat vriendelijker te zijn.'
De ander lachte hard. 'Ik raas van de honger,' zei hij, 'en zij zullen me het malse vlees leveren.' Daarop sneden zij de meisjes haar borsten af. Zonder zich verder om de verminkte lichamen te bekommeren, gingen de mannen heen, hun schreden richtend naar het vredige dorpje, dat onder oude, breed gekruinde olmen en linden rustig droomde.
Reeds legde schemering zich over velden en heuvelen toen de rovers de eerste woningen in het dal naderden. Onwetend van het gruwelstuk aan de bosrand, waren de mensen bezig het avondeten te bereiden. Bij een der huisjes, waar een flauw licht naar buiten straalde, klopten de onverlaten aan, en traden binnen.
'Wij hebben honger!' snauwden zij tot de ontstelde vrouw die aan tafel zat en uit wier gelaat alle kleur scheen geweken. 'Hier is vlees! Kook het vlug voor ons, als het leven je lief is.'
Meteen knoopten zij de doek, waarin de borstjes geborgen waren, los en schudden deze leeg in een zwart-geroete ketel, die op het vuur stond te zieden. Nauwelijks was het mensenvlees in het kokende water gevallen of het sprong daaruit terug en kwam juist neer op de schoot der hevig geschrokken vrouw.
De rovers stonden als aan de grond genageld. Een ogenblik waren zij verdoofd van ontzetting, maar dan hoorden ze de vrouw schreeuwen:
'Mijn God, mijn God ... zij hebben mijn kinderen vermoord! Het is van mijn dochters!'
'Mijn God, mijn God ... zij hebben mijn kinderen vermoord! Het is van mijn dochters!'
Zonder 't te weten, waren de booswichten in het huis van de wachtende moeder aangekomen, en deze had het bloederige vlees herkend. De vrouw klaagde voort. Steeds schriller kreet zij haar smart en ellende uit. Akelig sneed haar stem door de stilte van de vallende nacht. Eensklaps keerde zij zich tot de wreedaards en gilde vreemd:
'Vlucht, gij schurken ... vlucht! Nog is het tijd!'
Sprakeloos keken de moordenaars elkaar aan. Hun lichamen beefden en uit hun ogen puilde de angst, nu ze zich ontdekt wisten.
'Mijn God ... zij hebben mijn kinderen geslacht!' schreeuwde de radeloze moeder weer met hoog-uitgierende stem, terwijl ze zich de grijzende haren wrong. De felle, van leed doorvlamde kreten der waanzinnig geworden vrouw wekten de dorpelingen uit hun avondrust. En ze priemden het geweten van de beide snoodaards wakker.
Buiten de woning klonk het geroezemoes van nader komende stemmen. Dravende voeten ploften dof op het zandpad. Zonder ook maar één woord te spreken, renden de onverlaten weg uit het huis der smarte, de duisternis in, de heuvelen over.
De volgende morgen vond men de verstijfde lichamen der boeven. Zij hadden zich aan de bomen verhangen! En aan de verre bosrand ontdekten zoekende mannen enige tijd later de deerlijk geschonden lijken van de onschuldige kinderen.
Een diepe rouw legde zich over het vredige dorp.
Niet ver van het huis, waar de vermoorde zusters hadden gewoond, bevond zich de “Coeswaede”, een waterkom, waarin de mensen gewoon waren hun schapen te wassen. Hoge, overschaduwde bomen hielden het water koel. Hier besloten de rouwende dorpelingen een kapel te bouwen, ter gedachtenis aan het gruwelijk gebeuren.
Maar zie, de grondslagen, die men overdag met grote moeite legde, werden 's nachts door onzichtbare hand overgebracht naar de hoogte waar het dichte woud groeide. Vol verbazing vroegen de mensen elkaar af hoe toch dit wonder te verklaren mocht zijn, doch een antwoord vonden zij niet.
Tot driemaal toe herhaalde zich hetzelfde mirakel. Toen begreep men, dat de Almachtige , een kerk op de heuvelen wilde. Eindelijk was het heilige werk klaar. In plechtige optocht trokken de feestelijk uitgedoste mannen, vrouwen en kinderen over de heuvels van het grillige, zonovergoten Nardincklant naar hun eerste kerkje. Tot ver in de omtrek klonken hun gewijde gezangen.
En, oh wonder! Temidden van hen gingen drie schone, jonge maagden met loshangende haren en in witte gewaden. Zij droegen als een zoete last 't met bloemen omkranste beeld van de hemelse Jonkvrouw.
Aanvulling:
1: Zó ruist uit oude tijden het stille gerucht. Elk jaar gaat men op 24 juni in processie vanuit het lieflijke dorp naar het eenzame kerkhof hogerop. De eeuwen fluisteren, dat daar eens het eerste Gooise christen-kerkje stond. Een kerkje van hout, wellicht reeds omtrent 't jaar 750 gesticht.
1: Zó ruist uit oude tijden het stille gerucht. Elk jaar gaat men op 24 juni in processie vanuit het lieflijke dorp naar het eenzame kerkhof hogerop. De eeuwen fluisteren, dat daar eens het eerste Gooise christen-kerkje stond. Een kerkje van hout, wellicht reeds omtrent 't jaar 750 gesticht.
2: Een detail van deze legende wil, dat slechts twee van de drie zusters vermoord werden, de derde zag kans te ontsnappen. Zij doolde de gehele nacht angstig rond, steeds opnieuw terugkerende naar de verminkte lichamen van haar zusjes en niet goed wetende wat zij deed. Tegen de ochtend vond zij ook de lijken der moordenaars, verhangen aan de bomen. Bij het zien daarvan werd het meisje helemaal krankzinnig. Zij rende naar het dorp en verdronk zich in de “Coeswaede”.
Haar geest, steeds opgejaagd en in onrust, zweefde na dit vreselijk gebeuren immer van de heuvelen naar de waterkom, heen en terug. Wie in de avondschemering toeft op de Brink te Laren, of z’n aandacht gevestigd houdt op de Koesweerd (Coswaard), heeft misschien kans iets te ontdekken van haar onrustige ziel. Men behoeft niet bang te zijn, want zij doet geen kwaad!
Rechten:
De liedjes behorend bij de serie "Historische verhalen, sagen en legenden" uit het Gooi’ zijn auteursrechtelijk beschermd. Het muziekbestand wordt in deze bijdrage uitsluitend beschikbaar gesteld ter beluistering. Downloaden, opslaan, delen, herpubliceren, bewerken of elders plaatsen is niet toegestaan zonder voorafgaande toestemming van de rechthebbende(n).
Bron:
“Naerdincklant” Prof. A.C.J. de Vranckrijker (1947)
“Gooise Legenden” Henk de Weerd (1960)
“Verhalen opgetekend uit de mond van Gerard Zieltjens” (1957 – 1967)
“Bewerking en hertaling”: Ad Bakker (2018)
“Illustraties”: Rob Numan (2025)
“Liedjes, tekst en muziek”: Ad Bakker (2023)
Luister naar het verhaal lied
De eerste kerk bij Laren NH
00:00