Ga naar de inhoud

De Duivel als Bouwmeester - ONF Groepen Overzicht 2026 versie 5.0

Menu overslaan
Menu overslaan
ONF Groepen NL
Groep Sagen
De Duivel als Bouwmeester
(Oud Valkeveen)
Pieter-Jan, een jonge, sterke kerel van geringe afkomst, dong naar de hand van Kristien, de mooie, fikse en enige dochter van een rijke boer. Als kinderen hadden zij soms samengespeeld en gekibbeld, en bij het ouder worden had de genegenheid voor elkaar diep wortel geschoten in beider hart. Eindelijk was het ervan gekomen, dat Pieter-Jan op één knie voor haar neerviel en haar openlijk zijn liefde verklaarde. Hij had het wat stuntelig en onbeholpen gedaan, maar wat hij zei, had haar als muziek in de oren geklonken. 'Ik durf het met jou wel aan,' was haar antwoord geweest. En daarmee was de grote levenszaak tussen hen beklonken.
Maar toen pas begon de strijd.

Kristiens moeder had onmiddellijk haar goedkeuring gehecht aan de trouwplannen van de geliefden. Zij mocht Pieter-Jan graag omdat hij een rechtschapen, gezonde kerel was en omdat hij hard wilde werken voor z’n brood. Het kwam vóór alles in het leven aan op eerlijkheid, trouw en ijver, meende zij. En als de twee jonge mensen elkaar werkelijk liefhadden, zouden ze ook in het kleinste huisje gelukkig zijn.

Maar Kristiens vader dacht er anders over. “Die kerel aast alleen op mijn geld”, had hij driftig gezegd. “Laat hij naar z’n soortgenoten kijken en niet naar mijn dochter. Zij verdient een eervoller aanzoek. Wat heeft die vent aan te bieden? Niets. Waar armoede haar intrek neemt, vlucht de liefde het venster uit. Zolang ik het te zeggen heb, zal er van hun plannen geen sikkepit komen.”

Hoe moeder en dochter ook probeerden hem tot andere gedachten te brengen, en hoe Pieter-Jan ook zijn best deed om hem milder te stemmen, de rijke boer blééf onwillig.
Op een stormachtige herfstavond keerde Pieter-Jan naar zijn schamele woning terug. Hij was verdrietig gestemd. Nogmaals had hij een bezoek gebracht aan de halsstarrige vader. En ook ditmaal was hij afgewezen. Dreigend had de rijke boer gezegd: “Je blijft voortaan hier vandaan. Begrepen? Ik wil je niet meer zien op de hof voordat je een hoeve bezit, minstens zo groot en goed als de mijne. Dat is mijn laatste woord.” Meteen had hij de deur dichtgesmeten.

Woedend op de koppige boer, en treurig omdat er van de trouwplannen niets kon komen, vervolgde Pieter-Jan zijn weg. Het was goed, dat steeds feller wordende rukwinden hem probeerden omver te smijten. Nu kon hij tenminste ergens tegen vechten.
Wat betekende het leven nog voor Kristien en hem? Zij liep rond met rode ogen en durfde hem bijna niet meer te groeten, uit vrees dat haar vader weer een uitbarsting van woede zou krijgen. En hij .... Nooit zou hij het kunnen brengen tot een boerenstee, die kon wedijveren met die van de ander, hoe hard hij ook ploeteren mocht. Al het voorgestelde geluk lag in scherven. Al z’n mooie toekomstplannen waren in rook vervlogen.

“Nog nooit heb ik me zo ellendig gevoeld”, mompelde hij. “Ik zou die oude vrek kunnen wurgen”.

Om hem raasde de storm. Boven hem braken dorre takken uit de zwiepende bomen en vielen krakend neer op de zandweg, die door de vallende duisternis snel vervaagde.
“Een behoorlijk mens zou geen hond de deur uitjagen met dit weer”, knarste Pieter-Jan tussen zijn tanden. “En ik .... Ik word nog minder dan een hond behandeld, ik word buiten de deur gezet. Waarom mogen Kristien en ik niet gelukkig zijn? Nooit zou ik een duit van die trotse man willen hebben. Nog liever at ik altijd droog brood”. Zo mokkend in zichzelf liep hij voort. Zijn handen tot vuisten gebald, diep in de zakken gestoken. Het lijf iets voorovergebogen voor de striemende wind. De wollen pet vastgetrokken over z’n stoere kop.

'Goedenavond,' zei eensklaps een stem.

Pieter-Jan schrok compleet en keek opzij. Naast hem stond een deftig heer, naar het scheen. Een zwierige, zwarte mantel hing om zijn slanke gestalte. Tevergeefs rukte de wind aan het kleed. De kap, die het hoofd bedekte, was vastgebonden onder de kin. En nog even waren aan de voeten glimmende laarzen te zien.

“Ook goê-avond. Ik hoorde u niet komen.”

“Dat was onmogelijk op deze weg en in dit noodweer”, antwoordde de vreemdeling vriendelijk. “Ik moet toevallig dezelfde kant uit en als er niets tegen is loop ik graag met u mee.” Onder ’t voortgaan stond de mond van de vreemdeling niet stil. De felle wind hinderde hem blijkbaar geenszins. Pieter-Jan luisterde nauwelijks. Slechts af en toe gaf hij een kort en brommerig antwoord. Wat interesseerde hem die ander? Wat interesseerde hem het leven, dat de vreemdeling prees? Alsof er alleen maar schoonheid en rijkdom te genieten viel.

“Goede vriend, waarom zijt ge zo korzelig tegen mij?” informeerde plotseling de praatgrage heer, terwijl hij Pieter-Jan op z’n arm tikte. “Deert u iets, of zijt ge wellicht niet op mijn gezelschap gesteld? Ik meende trouwens reeds te horen, toen ik u achteropliep, dat ge bij uzelf aan ’t mopperen waart.”

“Waarachtig geen wonder”, gromde de arme vrijer. En zo goed en kwaad het ging, vertelde hij van zijn liefde. “Weet ge wat die oude dwaas vanavond zei?” besloot hij z’n treurig relaas. “Niet eerder zou ik Kristien tot vrouw mogen hebben of ik moet eerst eigenaar zijn van een grote hoeve, minstens gelijk aan de zijne. Maar hoe zou ik die ooit kunnen krijgen?”

De vreemdeling lachte hard. Pijnlijk verbaasd keek Pieter-Jan hem aan. Zijn bloed begon te borrelen.

“Wat hebt ge te lachen?” viel hij uit. “Meent ge, dat ik ....”

“Neen, neen, beste makker”, onderbrak de ander snel, “ik lach allerminst om u, geloof mij. En ik denk er niet aan om met u te spotten. Ik moest lachen om die rijke boer, uw aanstaande schoonvader.”

“Hij kan mijn schoonvader niet worden”, hernam Pieter-Jan grimmig.

“Ja-ja, toch wel”, meende de heer. “Als het anders niet is, dan gij zoëven vertelde, zal hij het zelfs spoedig zijn.”

“Ik begrijp u niet “, weifelde de trouwlustige. “De oplossing is heel eenvoudig, goede vriend. Ik wil u helpen gelukkig te worden en die trotse boer een lesje te geven, dat hem lang heugen zal! Hij eist van u een grote hofstede .... Welnu, wat zoudt ge ervan zeggen als ik die voor u bouwde?” Pieter-Jan geloofde nauwelijks zijn oren.

“Zult gij een huis voor mij bouwen?”

“Zo ge wilt. Een prachtige hoeve met zelfs vijftig vensters. Een hoeve dus, zoals ge nergens zult aantreffen. Zoveel rijkdom en voorspoed zal de vader van uw beminde zeker verblinden. Alhoewel ik de naam van uw schone bespottelijk vind - tut-tut, ge moet niet boos worden - wil ik u gaarne helpen.” Pieter-Jan gaf niet direct antwoord. Droomde hij misschien? Nam de deftige heer een loopje met hem? Zijn hart bonsde. Als het eens waar was - genadige hemel. Dan werd Kristien zijn vrouw. Dan zou het leven weer mooi zijn. Dan werd de aarde voor hen een paradijs ...

De onbekende lachte vrolijk. “Ge twijfelt, nietwaar? Wat ik zei, klinkt u wonderlijk in de oren. Heus, ik meende het. Ikzelf word er niet armer van en ’k doe anderen graag een plezier ... op één kleine voorwaarde.”

Pieter-Jan probeerde zijn gedachten te ordenen.

“Maar wie zijt ge, als ik vragen mag?” vroeg hij toen.

“Vanzelfsprekend, dat ge dit vraagt”, antwoordde de vreemdeling. “Ik had niet anders verwacht. Alleen langs de weg der openhartigheid kunnen wij tot een afspraak komen.”

Even zweeg hij, als om zijn woorden te overwegen.

“Men noemt mij gewoonlijk de boze duivel. Neen, schrik maar niet, m’n vriend. Ikzelf ben aan die lastertaal sedert lang gewend. Zo kwaad, als velen beweren, ben ik werkelijk niet. Hoe vaak heb ik reeds mensen, die in verlegenheid zaten en geen uitweg meer wisten, geholpen. Treurenden kregen weer schik en arme drommels werden rijk ... door mijn hulp. En zou ik dan voor u een uitzondering maken?”

Enige ogenblikken stond Pieter-Jan beduusd.

“Hoe luidt uw voorwaarde?” trilde zijn stem.

“O, die is voor u zeer gemakkelijk”, sprak de ander op luchtige toon. “Luister. Ik bouw u nog deze nacht de aangeboden hoeve, en gij belooft mij te erkennen als heer van uw ziel ... Ziet ge wel, dat alles heel eenvoudig is? Ge behoeft slechts ‘ja’ te knikken.”

Zwijgend liepen ze verder. Pieter-Jans hart was hevig in de war. Twijfel slingerde zijn ziel. Het aanbod van de rijke hofstee bedwelmde hem. Stel je eens voor! En wat later zou gebeuren - nu ja ...

Bij z’n armelijke woning aangekomen, stond hij stil en vroeg: “Zijn uw woorden niet een beetje te mooi?”

“Neen ... Als ge op mijn voorstel ingaat, zal uw woning kant en klaar zijn vóór het kraaien van de haan.”

“Dus morgenvroeg al?”

“Inderdaad, mijn vriend”, bevestigde het heerschap.

Weer woelden velerlei gedachten door het hoofd van de trouwlustige. Kon het waar wezen, dat bij ’t krieken van de nieuwe dag het huis gereed stond? En dat hij een vermogend man zou zijn, die kon doen wat hij wilde? De vreemdeling waagde wel hoog spel.

“Maar”, aarzelde de hunkerende vrijer, “als ge de hofstee niet helemaal klaar hebt, voordat de haan kraait... wat dan?”

“Dan verlies ik alle rechten op uw ziel en zijt ge vrij”, klonk het antwoord, ongeduldig van toon nu.

“Akkoord!” zei Pieter-Jan.

Op hetzelfde moment was er even een sissend geluid naast hem. In zijn neus prikkelde een scherpe zwavelstank. Verbaasd zag hij, hoe een rookwolkje aan slierten werd gerukt. Het vreemde heerschap was verdwenen. “Dus toch de duivel”, mompelde hij verward. Dikke zweetdruppels parelden op zijn voorhoofd. Angst bonsde hem in de keel. “Mijn hemel, wat heb ik gedaan? M’n ziel en zaligheid voor een huis aan de satan verkocht?”

Thans begreep hij, waarom de vreemdeling haar naam bespottelijk vond. Wat zou zij ervan zeggen, als hij het haar vertelde? Moest hij ’t haar vertellen? Zou ze dan nog met hem willen trouwen? Zou zij willen wonen in een hoeve, door de duivel gebouwd? .... Brrr, wat was het donker geworden. En wat gierde eensklaps de wind.

Bruusk keerde Pieter-Jan zich om. Gek, die hij was, zich zo bang te maken. Het had geen enkele zin nog langer buiten te staan. De duivel mocht wezen wat hij wilde, maar in enkele uren zou hij onmogelijk een grote hofstee met vijftig vensters kunnen bouwen. Een ongelooflijke grootspraak, anders niet. Hoe zou hij in dit noodweer ook maar één spantbalk kunnen plaatsen? Die bravourschopper!

“Vooruit, Pieter-Jan”, stelde hij zichzelf gerust, “wees geen dwaas, wees een verstandige kerel, en ga rustig slapen.”

Enige tijd later lag hij in z’n bed.
Plotseling werd Pieter-Jan wakker. Wat was dat voor een lawaai, niet ver van z’n huis? De stormwind kon het niet zijn. Stil en gespannen luisterde hij. Buiten klonk een geroes van lichte en donkere stemmen. Voeten draafden af en aan. Hamers sloegen blijkbaar op zware spijkers en bouten. Bijlen hakten dof in stukken hout. Bevelen werden geschreeuwd. En soms gierde een schrille lach.
Toen herinnerde Pieter-Jan zich zijn gesprek met de vreemdeling. “Akkoord!” had hij gisteravond gezegd. Zou het dan toch waar wezen? Zou de duivel dan tòch een hoeve voor hem bouwen? In één enkele nacht? “Mijn God”, prevelden zijn lippen, zo droog als kurk. Langzaam stond hij op en liep naar het raam. Toen scheen het bloed in zijn aderen te stollen.

Het stormde niet meer.

In de schemer van de nacht zag hij talloze gestalten. Zij liepen bedrijvig heen en weer. Ze sleepten de bouwmaterialen aan, die anderen verwerkten aan de muren en ’t dak van een grote, nieuwe boerderij. Dichtbij stond het zwarte, slanke heerschap. Soms riep hij een bevel - dan weer wees hij iets aan. Ongelooflijk snel vorderde de bouw onder de rappe en bedreven handen der grijnzende duivelen. Het was alsof alle leven uit Pieter-Jan wegvloeide. Het angstzweet liep in klamme straaltjes langs zijn lichaam. Zijn benen weigerden bijna hem langer te dragen. Wat moest hij doen? Wat kon hij doen?

Reeds bleekte het eerste licht van de nieuwe dag boven de kim.

Slechts één mogelijkheid van redding bestond. De haan moest kraaien!
Niet straks, maar nu ....

Tijd voor kleden was er niet meer. Buiten, achter z’n huisje, stond het kippenhok.
Het kwam er niet op aan hoe hij daarheen sloop.

Maak voort, maak voort!

Toen greep hij de lodderogende haan. En door de vale schemer van de scheidende nacht klonk het eerste onzekere gekraai. Verwonderd bleven de dravende duivelen staan. Weer kraaide de haan - luider thans. Nog eens en nog eens. Pieter-Jans kittelende handen deden hun werk. Krijsend en vloekend maakten de bouwers dat zij wegkwamen.

Toen de arme man een poosje daarna de nieuwe hoeve bezichtigde, ontdekte hij, dat de haan op het juiste ogenblik zijn reddend geluid had doen horen. Slechts enkele vensters ontbraken aan de bouw. Wat was Pieter-Jan vrolijk. Nu had hij een hofstee, die aller afgunst zou wekken. Nu was hij rijk. Nu zou hij nog eens met Kristiens vader gaan praten. En niet veel later trouwde hij met zijn gelukkige bruid.

In de loop der jaren werd de rijke boerderij enkele malen verbouwd. Want elk spoor van de duivelen moest verdwijnen.

Komt ge nog wel eens in ’t schone Oud-Valkeveen? Denkt er dan aan, dat ééns de duivel daar bouwmeester was.

Gevraagd: welke van de enkele hofsteden geldt het?

Niemand zal u bescheid kunnen geven. Het antwoord ligt in ’t duister.


Rechten:
De liedjes behorend bij de serie "Historische verhalen, sagen en legenden" uit het Gooi’ zijn auteursrechtelijk beschermd. Het muziekbestand wordt in deze bijdrage uitsluitend beschikbaar gesteld ter beluistering. Downloaden, opslaan, delen, herpubliceren, bewerken of elders plaatsen is niet toegestaan zonder voorafgaande toestemming van de rechthebbende(n).
Het muziek label "Kwapoets" is onderdeel van de stichting ErfGoedGezien Nederland.

Bron:
“Naerdincklant” Prof. A.C.J. de Vranckrijker (1947)
“Gooise Legenden” Henk de Weerd (1960)
“Verhalen opgetekend uit de mond van Gerard Zieltjens” (1957 – 1967)
“Bewerking en hertaling”: Ad Bakker (2018)
“Illustraties”: Rob Numan (2025)
“Liedjes, tekst en muziek”: Ad Bakker (2023)
Luister naar het verhaal lied
De Duivel als Bouwmeester
00:00

(c) 2020 - 2026 Stichting ErfGoedGezien Nederland
Werkgroep ONF (In Oude & Nieuwe Foto's)  
info@onfgroepen.nl
Terug naar de inhoud